Phinney is terug!
De Tourcolumn van Lidewey van Noord - Etappe 2
© FOTO: GETTY

In 2014 mocht Taylor Phinney voor het eerst naar de Tour de France. Daar droomde hij al van sinds zijn vader hem op zijn veertiende had meegenomen naar de Tour – een ervaring die hem ertoe zette zijn voetbalkleren op te bergen en te gaan wielrennen.
Hij bleek een overschot aan talent te hebben, maar dat mocht geen verrassing heten: zijn vader Davis Phinney won twee Touretappes en zijn moeder Connie Carpenter werd in 1984 olympische kampioene op de weg. De jonge Phinney beschikte niet alleen over goede genen maar ook over een flinke dosis ambitie. Hij blonk uit op de baan, en later op de weg vooral in klassiekers en tijdritten.
In de aanloop naar de Tour van 2014 werd Phinney Amerikaans kampioen tijdrijden. De avond voor de wegwedstrijd was hij in opperbeste stemming. Op Twitter liet hij weten dat hij zichzelf leerde twerken, gekleed in onderbroek en compressiekousen.
De dag erna ging hij in de wegrit hard onderuit en knalde met hoge snelheid tegen een vangrail. Zijn been brak op verschillende plekken. ‘Je zult waarschijnlijk nooit meer rennen,’ vertelde een dokter hem. Het duurde zes maanden voordat Phinney weer mocht fietsen, negen maanden voordat hij zonder krukken kon lopen.
In de vijftien maanden tussen zijn val en zijn comeback legde hij zich toe op tekenen en schilderen. Als hij het moeilijk had en bang was dat hij zijn oude niveau nooit meer zou halen, relativeerde hij dat door te denken aan zijn vader, die aan Parkinson lijdt. Er is in het leven meer dan wielrennen, zo leerde hij.
In januari van dit jaar kon Phinney voor het eerst weer een stukje rennen en nu rijdt de 27-jarige eindelijk alsnog zijn eerste Tour – één blik op de eindeloze littekens op zijn linkerbeen en je beseft hoe bijzonder dat is. Vandaag ging hij mee in de vroege vlucht en pakte allebei de bergpuntjes.
Soms loopt hij nog mank, de drager van de bolletjestrui, en twerken zit er niet meer in, maar wat deert het: vandaag stond Phinney eindelijk waar hij jaren geleden al had moeten staan – op het podium, in de Tour.
Tekst: Lidewey van Noord









