Intervaltraining

Beginnen met intervaltraining? Waarom te vroeg starten je juist trager maakt

Praat mee!

Maikel Samuels

Maikel Samuels

Je hebt eindelijk weer wat kilometers in de benen, de energie is terug en je popelt om harder te gaan. Dus grijp je naar een intervalschema van internet en ga je vol gas de heuvel op. Twee, drie weken later voel je je vooral moe, wil je hartslag niet meer omhoog en lijkt je vorm eerder achteruit dan vooruit te gaan. Herkenbaar? Dan ben je niet de enige wielrenner die te vroeg met intervaltraining begint, en daarmee precies het tegenovergestelde bereikt van wat je voor ogen had.

>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.

“Wanneer begin je met intervaltraining” is een van de meest gestelde trainingsvragen onder wielrenners, en het antwoord zit 'm niet in een vaste datum op de kalender. Het draait om een volgorde: eerst een aerobe basis, dan pas de pijn. Hieronder lees je wanneer je lichaam er echt klaar voor is, wat onderzoek zegt over de juiste opbouw en met welke eerste intervaltraining je veilig kunt starten.

Wat intervaltraining met je lichaam doet, en waarom volgorde telt

Intervaltraining bestaat uit korte tot middellange, intensieve inspanningen die je afwisselt met herstelmomenten op lage intensiteit. Die pieken duwen je hart, longen en spieren net over de grens waar je lichaam zich moet aanpassen: je zuurstofopname (VO2max) stijgt, je anaerobe drempel schuift op en je leert zuur beter bufferen. Precies daarom is intervaltraining zo effectief om sneller te worden.

Maar die aanpassingen bouwen voort op een fundament dat er al moet liggen. Zonder een stevige aerobe basis mist je lichaam de capaciteit om van intervallen te herstellen en de trainingsprikkel echt te verwerken. Dat is ook de reden dat rustige duurtraining wekelijks op het trainingschema van een wielrenner moet staan: het is niet de saaie invulling tussen de spannende trainingen door, maar de basis waarop intervaltraining pas rendement oplevert.

Het signaal dat je lichaam nog niet klaar is voor pittige intervallen

Er zijn een paar duidelijke signalen dat je aerobe basis nog niet op orde is. Raak je bij een rustig tempo al snel buiten adem, blijft je hartslag ongewoon hoog hangen tijdens duurritten, of kun je nog geen twee tot drie uur ontspannen fietsen zonder dat je benen protesteren? Dan is je lichaam nog bezig met de basis leggen, en is dat precies waar je energie nu het best in gaat. Hetzelfde geldt als je net terugkomt van een blessure, een lange rustperiode of de wintermaanden nauwelijks op de fiets hebt gezeten: intervaltraining bovenop een onvolledige basis vraagt om herstel dat er simpelweg nog niet is.

Wat onderzoek zegt: eerst basis, dan intensiteit

Deze volgorde is niet alleen coachwijsheid, maar wordt ook onderbouwd door onderzoek. Sportwetenschappers Thomas Stöggl en Billy Sperlich publiceerden in 2014 een veelgeciteerde studie waarin 41 ervaren duursporters (fietsers, hardlopers en langlaufers) negen weken lang volgens verschillende trainingsmodellen trainden. De groep die polarized trainde, dus een groot aandeel rustige, aerobe kilometers gecombineerd met een klein maar zeer intensief aandeel intervaltraining, boekte grotere vooruitgang dan de groepen die vooral op drempeltempo of uitsluitend met hoge intensiteit trainden. De rustige kilometers waren daarbij geen bijzaak: ze bleken de voorwaarde voor het effect van de intervallen.

Ook de veelgeciteerde review van sportwetenschappers Paul Laursen en David Jenkins, gepubliceerd in Sports Medicine, onderschrijft dit principe vanuit een andere hoek. Bij goed getrainde atleten leidt méér rustige trainingsvolume op een gegeven moment niet meer tot verdere verbetering, zo concluderen zij: dan wordt intervaltraining pas de sleutel tot vooruitgang. Omgekeerd betekent dit dat wie dat aerobe fundament nog niet heeft opgebouwd, weinig profijt heeft van intervallen: de basis moet er eerst liggen voordat intensiteit iets toevoegt.

Hoeveel weken duurtraining heb je nodig voordat je kunt starten?

Een harde grens bestaat niet, maar een bruikbaar vuistregel wel: reken op minimaal vier tot zes weken consistente, rustige duurtraining voordat je intervallen toevoegt, zeker als je net terugkomt van een pauze. In dit artikel over vier weken basistraining lees je precies hoe zo'n opbouwperiode eruitziet en welke opbouw in duur en frequentie realistisch is voor de meeste wielrenners.

Timing hangt ook af van waar je in het seizoen zit. Bouw je in het najaar of de winter aan je basis, dan is het verstandig om die periode niet te overhaasten: wie te enthousiast van start gaat, loopt het risico juist een blessure of een dip op te lopen vlak voor het seizoen goed begint. De opbouw naar intervaltraining verdient dezelfde geduldige aanpak.

Zo herken je dat je er klaar voor bent

Er is een duidelijker signaal dan een datum op de kalender: je lichaam zelf. Je bent klaar voor je eerste intervaltraining als je op een rustig tempo een gesprek kunt voeren zonder buiten adem te raken, als ritten van twee tot drie uur geen uitputtingsslag meer zijn, en als je hartslag na een inspanning binnen enkele minuten weer daalt naar een rustig niveau. Voel je je na een paar weken duurtraining fris en ongeduldig om harder te gaan in plaats van moe, dan is dat vaak het beste teken dat je lichaam om een prikkel vraagt.

De beste eerste intervaltraining om mee te beginnen

Begin niet meteen met de zwaarste sessie die je kunt vinden. Een goede eerste stap is een training die je VO2max aanspreekt zonder je meteen tot het uiterste te drijven. Het 15/15-protocol, vijftien seconden hard afgewisseld met vijftien seconden rustig, geldt niet voor niets als een van de snelste manieren om je VO2max te verbeteren: de blokjes zijn kort genoeg om vol te houden, maar intensief genoeg om effect te hebben. Ook een klassieke opbouw van vijf tot zes intervallen van drie tot vier minuten op hoge intensiteit, met gelijke hersteltijd ertussen, is een beproefde manier om je VO2max te verhogen met intervaltraining op de fiets zonder jezelf meteen op te blazen. Bouw vanaf daar rustig op in aantal herhalingen en intensiteit.

De valkuil: te snel te veel, en hoe je overtraining voorkomt

De meest gemaakte fout is niet dat mensen intervaltraining doen, maar dat ze er te snel en te vaak mee beginnen. Twee of drie intervalsessies per week bovenop een basis die er nog niet is, stapelt vermoeidheid sneller op dan je lichaam kan verwerken. Het resultaat is een dalende in plaats van stijgende vorm, een verhoogde rusthartslag en meer kans op blessures. Begin daarom met één intervaltraining per week, houd de andere trainingen bewust rustig, en bouw pas op als je merkt dat je goed herstelt. Vorm opbouwen is geen sprint, ook al bestaat de training zelf uit sprints.

Conclusie: wacht niet te lang, maar ook niet te kort

Er is geen vaste datum waarop je met intervaltraining moet beginnen, wel een duidelijke volgorde: bouw eerst een aerobe basis van minimaal vier tot zes weken rustige duurtraining op, en voeg pas daarna intervallen toe zodra je lichaam moeiteloos twee tot drie uur kan fietsen en snel herstelt. Begin met één training per week, kies een kort en behapbaar protocol zoals 15/15-intervallen, en bouw pas op als je merkt dat je vooruitgang boekt in plaats van vermoeidheid opstapelt. Zo voorkom je dat je te vroeg begint, en haal je juist wél het effect uit intervaltraining waarvoor je hem doet.