Blijf af en toe trappen in de afdaling. Dit is waarom
Viktor Bystrov/Unsplash

Eenmaal over de top van een klim is het verleidelijk om direct de benen stil te houden. De zwaartekracht neemt het werk over, de snelheid loopt vanzelf op en eindelijk is er tijd om even op adem te komen. Toch zie je dat profrenners ook tijdens afdalingen regelmatig een paar keer stevig aanzetten. Niet omdat ze onnodig energie willen verspillen, maar omdat ze precies weten wanneer een paar extra pedaalslagen voordeel opleveren.
Ook voor recreatieve wielrenners is volledig uitbollen lang niet altijd de slimste keuze. Natuurlijk is een afdaling een uitstekend moment om te herstellen, maar door op de juiste momenten licht te blijven meetrappen kun je je spieren actief houden, meer snelheid meenemen en soepeler aan de volgende klim beginnen.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
Je spieren schakelen minder abrupt terug
Na een lange beklimming hebben je beenspieren soms twintig tot dertig minuten onafgebroken gewerkt. Je hartslag is hoog, de doorbloeding van je spieren draait op volle toeren en je lichaam levert continu energie om de klim op te rijden. Wanneer je boven op de berg direct volledig stopt met trappen, verandert dat in één klap. Door tijdens minder steile stukken of op een vals plat af en toe licht te blijven meetrappen, blijft je lichaam iets actiever. De overgang van maximale inspanning naar herstel verloopt daardoor geleidelijker. Dat voelt voor veel wielrenners prettiger dan wanneer de benen enkele minuten volledig stil hebben gestaan en daarna ineens weer hard moeten werken. Daarbij hoeft de inspanning absoluut niet zwaar te zijn. Een licht verzet en een relatief hoge cadans zijn vaak al voldoende om de benen soepel te houden, zonder dat je veel extra energie verbruikt.
Lees ook: De grootste fout die je maakt tijdens het klimmen en hoe je deze kunt voorkomen
Je bent sneller klaar voor de volgende klim
Wie regelmatig in de bergen fietst, weet dat een afdaling lang niet altijd het einde van de inspanning betekent. Vaak volgt na een paar kilometer afdalen alweer een nieuwe beklimming of een lang vals plat omhoog. Wanneer je de hele afdaling niet hebt getrapt, voelen de eerste honderden meters van die volgende klim vaak verrassend zwaar. Je spieren moeten opnieuw op gang komen en ook je hartslag moet weer oplopen. Door onderweg af en toe enkele seconden mee te trappen, verloopt die overgang veel vloeiender. Je hoeft onderaan de klim niet vanuit volledig 'koude' benen opnieuw te accelereren en kunt sneller terugkeren naar je gewenste tempo.
Lees ook: 8 bewezen tips voor zelfvertrouwen tijdens de afdaling
Op sommige afdalingen levert het zelfs snelheid op
Niet iedere afdaling is zo steil dat je vanzelf 70 kilometer per uur rijdt. Veel afdalingen in Nederland, de Ardennen of zelfs de Alpen bevatten flauwere gedeelten waarop de snelheid snel terugloopt. Juist daar kan een korte versnelling veel opleveren. Door enkele seconden extra vermogen te leveren neem je meer snelheid mee richting het volgende vlakke stuk of de volgende bocht. Dat is ook precies waarom je profrenners vaak ziet meetrappen zodra de hellingsgraad afneemt of er een stuk vals plat volgt. Bij snelheden tussen ongeveer 35 en 50 kilometer per uur kan extra vermogen nog duidelijk bijdragen aan een hogere snelheid. Naarmate de snelheid verder oploopt, neemt de luchtweerstand exponentieel toe. Boven ongeveer 60 kilometer per uur levert extra trappen meestal nog maar weinig winst op ten opzichte van de energie die het kost.
Je voorkomt dat je benen stijf aanvoelen
Tijdens lange bergafdalingen zit je soms tien minuten of langer vrijwel in dezelfde houding. Je beweegt nauwelijks, terwijl je spieren wel spanning houden om de fiets stabiel door de bochten te sturen. Veel wielrenners herkennen daarom het gevoel dat hun benen na een lange afdaling stijf of stroef aanvoelen. Een paar keer kort meetrappen of even uit het zadel komen helpt om de spieren weer los te maken en geeft veel fietsers een soepeler gevoel wanneer de weg weer omhoog loopt. Het betekent niet dat vermoeidheid verdwijnt, maar de overgang naar een nieuwe inspanning voelt vaak prettiger.
Lees ook: Melkzuur en lactaat: Dit moet je als wielrenner weten
Kies je momenten verstandig
Dat betekent uiteraard niet dat je iedere afdaling actief moet blijven trappen. Veiligheid staat altijd voorop. In een technische afdaling met veel haarspeldbochten, slecht wegdek of druk verkeer is het belangrijker om je volledig te concentreren op je lijn, rempunten en de grip van je banden. Ook op zeer steile afdalingen waarop de snelheid vanzelf oploopt tot boven de 60 kilometer per uur heeft extra trappen meestal nauwelijks zin. Kijk daarom vooral naar het profiel van de afdaling. Op flauwe stukken, bij tegenwind of richting een volgende klim kan meetrappen voordeel opleveren. Op snelle of technische afdalingen is het juist slimmer om de fiets zijn werk te laten doen.
Lees ook: Hoe je een bocht neemt op de fiets als een prof
Kijk maar eens naar de profs
Wie een bergetappe in de Tour de France of Giro d'Italia aandachtig bekijkt, ziet hetzelfde patroon telkens terug. Renners laten de fiets lopen op de steilste stukken, maar beginnen vrijwel direct weer te trappen zodra de helling afvlakt of een vals plat begint. Dat doen ze niet omdat ze bang zijn om een paar seconden rust te nemen. Ze weten simpelweg dat ze op die momenten relatief goedkoop snelheid kunnen maken en hun ritme behouden.
De les voor recreatieve wielrenners is dan ook eenvoudig. Gebruik afdalingen om te herstellen, maar zie ze niet automatisch als een moment waarop je helemaal niets hoeft te doen. Door bewust te kiezen wanneer je wel en niet meetrapt, houd je je benen soepeler, neem je op sommige momenten meer snelheid mee en begin je de volgende klim vaak net iets comfortabeler.












