De buitenbocht sneller dan de binnenbocht? In deze 3 gevallen kan het

Praat mee!

Photo by Collin Shaughnessy on Unsplash

Photo by Collin Shaughnessy on Unsplash

Er is een ongeschreven wet in het wielrennen: wie de binnenbocht pakt, gaat het snelst. Elke jeugdrenner leert het, elke amateurrenner weet het met de toevoeging "buiten, binnen, buiten". Maar de werkelijkheid is subtieler. Er zijn situaties waarin de buitenbocht je méér snelheid oplevert. Drie concrete gevallen.

>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.

1. De haarspeldbocht bergop: de binnenbocht is steiler

Bij een haarspeldbocht in een klim zit er iets geniepigs verborgen in het wegdek: de binnenbocht is steiler dan de buitenbocht. De weg maakt een scherpe bocht en de binnenste lijn volgt een korter, maar vaak ook feller oplopend stuk asfalt. De buitenbocht is langer maar heeft een gelijkmatiger hellingspercentage. En in de klimmetjes gaat het erom dat je je wattage zo gelijkmatig mogelijk over je spiervezels verdeelt. Een kortere lijn met een piekje is voor de benen minder efficiënt dan een vloeiende lijn met minder variatie.

Praktisch: je ziet dit goed bij bochten waar de weg aan de binnenzijde omhoog kruipt naar een keermuur of rots. De binnenbocht loopt recht de helling in, de buitenbocht snijdt er als het ware langs. Renners die de Mont Ventoux of de Mortirolo kennen, weten dat een haarspeld bergop soms letterlijk een stukje "berglijn" heeft aan de binnenzijde die je vermogen wegvreet.

>>> Lees ook: Na iedere bocht op achterstand? Je remt te veel!

2. Pelotonophoping aan de binnenkant

Dit is het tactische scenario. In een massasprint, bij een afdalingsbocht in een koers of gewoon in een groepsrit met te veel mensen en teveel lef (of te weinig verstand) met bochtenrijden: iedereen stuurt naar de binnenbocht. Iedereen tegelijk.

Het gevolg is een opstopping van renners die hard moeten remmen omdat het letterlijk vastloopt, iedereen wilt koste wat kost ingeklikt blijven wat soms meer op een circusact lijkt dan koers. De binnenbocht verandert van snelste lijn in filestrook.
De buitenbocht is dan veel minder druk bevolkt. Vrij asfalt, geen gedrang, geen rem uit schrik voor de achterwiel van je buurman. Als je het vertrouwen hebt en de timing klopt, stoom je er gewoon langs. Niet omdat je technisch beter bent, maar omdat je de groepspsychologie doorhebt.

Eddy Merckx zei ooit dat wielrennen voor negentig procent in het hoofd zit en voor de rest in de benen. In bochtenrijden met een peloton geldt dat misschien nog sterker: wie begrijpt wat de massa doet, kan er gebruik van maken. (Merckx zei dit, overigens, niet specifiek over bochten. Maar het klopt hier net zo goed.)

>>> Lees ook: Fietsen in een peloton voor beginners: Essentiële tips en technieken

3. Twee bochten vlak na elkaar: de tweede bocht heeft prioriteit

Dit is de meest technische van de drie, en ook de meest over het hoofd geziene. Je rijdt een recht stuk met hoge snelheid in en ziet twee bochten achter elkaar: de eerste is flauw, de tweede is scherp. De meeste renners rijden de eerste bocht zo scherp mogelijk en komen daarna in een lastigere positie voor de tweede. Ze hebben een deel van hun snelheid al gebruikt voor de eerste bocht en dienen nu nog meer naar buiten te sturen om de ideale "buiten, binnen, buiten"-lijn voor de scherpe variant. Deze mindere rechte lijn zorgt voor reductie in snelheid en vaak ook ontspanning.

De juiste aanpak: geef de eerste bocht deels op. Rijd hem iets ruimer, iets minder scherp, zodat je de juiste lijn oppakt voor de tweede bocht. Die scherpe bocht bepaalt je snelheid voor het uitkomende rechte stuk. Hoe ontspannener je de tweede bocht in rijdt, hoe eerder je kunt bijdraaien, en hoe eerder je daarna kunt versnellen met volle longen.
Dit principe heet in de motorsport "late apex" en het is in wielrennen net zo geldig. De eerste bocht is een voorbereiding. De tweede bocht is de bocht die telt.
Het klinkt simpel. Toch zie je in elke groepsrit deelnemers die de eerste bocht aanvallen alsof hun leven ervan afhangt, om vervolgens breed door te schieten in de tweede. Ze komen er langzamer uit dan degene die de eerste bocht rustig nam.

In een solo-ontsnapping of kleine kopgroep kost elke gemiste bocht je een fietslengte of meer. In een tijdrit op een verkend parcours is dit de techniek die je al thuis inplant: de eerste bocht is een voorbereiding, de tweede is de bocht die je tijd bepaalt.

>>> Lees ook: Zo veel voordeel heb je achter de wagen, motor of groepje knechten

Conclusie

De binnenbocht is de standaard keuze, en voor de meeste situaties klopt dat gewoon. Maar bewust rijden betekent situaties herkennen waarin de standaard keuze niet de slimste is. Een steile haarspeld bergop, een drukke bocht in het peloton, twee bochten in serie: in elk van deze gevallen loont het om even anders te denken. En wie dat beheerst, rijdt niet alleen technisch beter. Die rijdt ook slimmer. En slim is uiteindelijk sneller.

Video