De ideale mix van stofjes in je hersenen die jou een toprenner maken

Sunil Chandra Sharma by Unsplash

Sunil Chandra Sharma by Unsplash

Je hebt renners die klauteren als eekhoorns op dennenbomen. Renners die in een tijdrit zichzelf zo ver opblazen dat hun benen roken. En dan heb je die ene ploegmaat die altijd het goede moment kiest, zelden paniekeert in de afdaling en na afloop nog energie heeft om sfeer te maken in de busrit naar het hotel. Wat is het verschil? Wattages, zul je zeggen. VO2max. Gewicht per kilo.

>>> Lees ook: Cycling porn op een nieuw level: VR-bril de volgende stap voor de ultieme parcoursverkenning

Klopt allemaal. Maar er is nog een laag dieper: wat er in je hoofd rondgaat. Letterlijk. De mix van neurotransmitters en hormonen die bepaalt of jij het gat slaat op het juiste moment, of er naast staat terwijl iemand anders hem neerzet.

>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.

Het peloton van je hersenen

Zie je brein als een peloton. Er rijden een stuk of zes renners mee die allemaal een andere taak hebben, maar van wie het succes afhankelijk is van hoe goed ze samenwerken. Te veel sprinters, geen klimmer. Te veel knechten, niemand die de koers leest.

De zes belangrijkste:

Dopamine is de puncheur. Hij geeft je het gevoel dat het loont om te accelereren, dat de inspanning iets oplevert. Lage dopamine is het gevoel dat je in een eeuwig lange toertocht in grijs weer een klim oprijdt die nooit ophoudt, je wil ermee kappen, maar je moet door. Hoge dopamine is het gevoel dat je de kop van de col al ziet terwijl je er nog twee kilometer vandaan bent en toch versnelt (Mont Ventoux is hier de ideale kandidaat voor).

Norepinefrine is de klassiekerrenner. Hij zet je scherp, maakt je alert en vernauwt de focus. Als er een aanval volgt in jouw koers, is het norepinefrine dat binnen fracties van een seconde beslist: reageren of laten gaan. Te veel ervan en je rijdt je kapot op een vlucht die toch niet wegblijft. Te weinig en je staat erbij te kijken terwijl in jouw optiek, mindere goden wegrijden.

Serotonine is de knecht die al vijf dagen rondrijdt zonder één keer achterom te kijken. Stabiel, gelijkmatig, onmisbaar. Hij zorgt voor een gevoel van regelmaat en draagt bij aan vermoeidheidsregulatie. Maar opgelet: hoge serotonineniveaus in de hersenen hangen samen met centraal moeheidsgevoel. Je brein stuurt dan het signaal dat het genoeg is geweest. Dat is niet zwak, dat is bescherming. Het probleem is: dat beschermingssignaal klopt lang niet altijd.

Endorfine is de tijdrijder. Hij dempt pijn en creëert een soort mentale glazen wand tussen jou en het lijden. Het bekende runnershigh bestaat echt, maar bij wielrenners manifesteert het zich eerder als een staat van flow in een lange demarrage dan als een euforisch gevoel. Het maakt het verschil tussen een ronde rijden die je breekt en een die je vormt.

Cortisol is het klassieke verhaal van de renner die te vroeg aanvalt. Op korte termijn noodzakelijk, levensreddend zelfs: het mobiliseert energie, verhoogt de alertheid en maakt spieren vuurklaar. Op lange termijn is chronisch hoog cortisol de biochemische beschrijving van overtraining. Botten worden broos, spieren herstellen niet, slaap verslechtert. Elke renner die te lang te hard rijdt, kent het gevoel, zelfs als hij de naam van het hormoon niet kent.

Oxytocine is de ploegrenner die niemand verwacht maar op het beslissende moment wel zijn kop in de wind steekt. Het speelt een rol in vertrouwen, sociale binding en het gevoel van veiligheid binnen een groep. Wie fijn in zijn ploeg zit, presteert beter. Niet uit sentimentaliteit, maar uit neurochemie.

>>> Lees ook: Train je brein om langer te fietsen

Emotie is geen zwakte, het is de brandstof

Nu wordt het interessant. Want die zes stoffen reageren op emoties. Niet traag, niet na een nacht slaap, maar in real time, terwijl je rijdt.

Je nadert een beklimming waarvan je weet dat je hem in het verleden nooit hebt gehaald. Je laat de negatieve gedachte toe. Cortisol stijgt. Spierspanning neemt toe. Ademhaling verslechtert subtiel. Tactisch overzicht daalt. Allemaal tegelijk, allemaal in seconden.
Andersom: je rijdt een beklimming op die je vorig jaar goed bent afgegaan. Dopamine anticipeert op de beloning nog voor je de top bereikt. Spieren zijn losser. Ademhaling is efficiënter. Je rijdt sneller zonder meer watt te trappen.

Dit is geen zelfhulp. Dit is fysiologie.

  • Op korte termijn zijn emotionele reacties directe regulatoren van prestatie. Angst verhoogt hartslag en ademfrequentie op manieren die je niet bewust kunt corrigeren. Zelfvertrouwen verlaagt de perceptie van inspanning, wat betekent dat dezelfde wattage gemakkelijker aanvoelt. Studies naar de relatie tussen psychologische toestand en tijdritprestaties laten consistent zien dat renners die dezelfde wattages rijden maar een andere emotionele toestand hebben, andere uitkomsten produceren. De biomechanica klopt niet bij constant verhoogd cortisol.
  • Op lange termijn bepalen emotionele patronen hoe hersenstoffen structureel worden aangemaakt. Chronische angst of sociale isolatie veranderen de basislijn van dopamine en serotonine. Een renner die jaren in een negatieve teamomgeving zit, heeft letterlijk een andere neurochemische samenstelling dan iemand die dezelfde trainingsbelasting draagt in een warme ploeg.

Hoe ademen en spieren in het plaatje passen

De verbinding tussen hersenstoffen en spieren is geen metafoor. Het is anatomie.

Norepinefrine bereikt de spieren via het sympathische zenuwstelsel en verhoogt de contractiekracht. Maar het vernauwt ook bloedvaten in niet-essentiële organen, wat verklaart waarom je tijdens maximale inspanning je maag voelt protesteren. Je bloed zit ergens anders.

Endorfine moduleert pijnsignalen nog voordat ze de hersenen bereiken. Dat is waarom getrainde renners objectief zwaarder kunnen lijden dan beginners, zonder dat het er van buiten zo uitziet. Ze zijn niet stoerder. Ze hebben een ander endorfinesysteem.

Ademhaling is misschien de meest directe link. De ademhaling staat onder gedeeltelijke bewuste controle, iets wat weinig andere lichaamsfuncties hebben. En ademhaling beïnvloedt direct het CO2-gehalte in het bloed, wat de pH beïnvloedt, wat spiercontractie beïnvloedt. Maar er is ook een directe route via het zenuwstelsel: langzame, gecontroleerde uitademing activeert het parasympathisch systeem en verlaagt cortisolniveaus meetbaar. Een renner die in de neutrale zone na een valpartij zijn ademhaling bewust vertraagt, doet in feite aan neurochemisch management.

Tactisch inzicht valt of staat met de werking van de prefrontale cortex (is het voorste deel van de hersenen, gelegen direct achter je voorhoofd). En de prefrontale cortex is precies het gebied dat als eerste offline gaat bij hoog cortisol en hoge vermoeidheid. Dat verklaart waarom renners in de laatste kilometers van een zware rit tactische fouten maken die ze bij frisheid nooit zouden maken. Het is geen gebrek aan kennis. Het is biochemisch banenverlies.

Bestaan er ideale waarden? En wat is een hoog wattage in dopamine?

Dit is de eerlijke vraag, en het eerlijke antwoord is: niet op de manier waarop we ideale wattages kennen. Er bestaat geen universele dopaminedosis waarbij je de Alpe d'Huez sneller rijdt. De optimale neurochemische toestand is contextafhankelijk, persoonsgebonden en tijdelijk. Wat wel bestaat, zijn patronen die consistent samengaan met topprestaties:

Een hoge dopaminegevoeligheid, niet noodzakelijk hoge dopamineniveaus, hangt samen met meer motivatie bij gelijkblijvende inspanning. De vraag is niet hoeveel dopamine je aanmaakt, maar hoe gevoelig je receptoren zijn. Een lage cortisolbasislijn voor de start gaat samen met betere tactische besluitvorming in de finale. Niet nul cortisol, want dat bestaat niet, maar laag genoeg dat het niet tegen je gaat werken.
Een goede balans tussen dopamine en serotonine bepaalt of je de juiste momenten kiest om te rijden en de rust hebt om daartussen te herstellen. Te veel naar de dopaminekant en je rijdt jezelf kapot aan denkbeeldige successen die nooit goed genoeg zijn. Te veel naar serotonine en je accepteert te vroeg dat het genoeg is geweest.

Zelfvertrouwen is neurochemisch gezien geen vaag begrip. Het gaat samen met lagere amygdala-activiteit bij stresssignalen, hogere dopaminegevoeligheid en een robuuster cortisolsysteem dat sneller normaliseert na een inspanning. Een renner met structureel hoog zelfvertrouwen heeft in die zin inderdaad een hoger wattage in dopamine, alleen meet je dat niet op een Wahoo maar in hoe hij reageert op de man die hem op de flanken zit in kilometer 180.

Wat kun je ermee?

Meer dan je denkt, minder dan de coaches die hersengolven verkopen je willen laten geloven.

Ademhalingswerk beïnvloedt aantoonbaar cortisolniveaus en HRV. Het kan zelfs je autonome zenuwstelsel en het immuunsysteem direct beïnvloeden zoals in het artikel Ik begon te janken tijdens een ademhalingsoefening werd omschreven. Slaap is de meest effectieve neurochemische reset die bestaat: tijdens diepe slaap wordt dopamine geresynthetiseerd, cortisol genormaliseerd en worden emotionele herinneringen anders gecodeerd. Sociale verbinding verhoogt oxytocine en is daarmee letterlijk prestatierelevant. En het herkennen van emotionele patronen, niet onderdrukken maar herkennen, verlaagt de amygdalarespons op stresssignalen over tijd. Geen van deze dingen staat los van training. Ze zijn de training, voor het deel van je prestatie dat geen watt kan meten.

De renner die wint is niet altijd de sterkste. Soms is het de renner wiens hersenen op het juiste moment de juiste stofjes vrijlaten. En dat is, net als trappen, trainbaar.