Trainen

De wijze les die schaatsers aan fietsers kunnen leren

© Getty Images

De wijze les die schaatsers aan fietsers kunnen leren

Wat fietsers kunnen leren van schaatsers als Nils van der Poel en Metoděj Jílek

Toen Nils van der Poel de schaatswereld domineerde, verbaasde hij vriend en vijand niet alleen met zijn tijden, maar vooral met zijn aanpak. Geen geheimzinnige hoogtestages of hypermoderne gadgets, maar uren maken. Véél uren. En opvallend genoeg deed de Zweed dat lang niet altijd op het ijs. Hardlopen en fietsen vormden de ruggengraat van zijn trainingsopbouw. Inmiddels lijkt Metoděj Jílek met een vergelijkbare filosofie door te breken aan de schaatstop. Wat zegt dat over trainen en vooral: wat kunnen wij als fietsers hiervan leren?

De basis: hoe vergroot je je aerobe capaciteit?

De aerobe capaciteit, grofweg je vermogen om langdurig energie te leveren met zuurstof, groeit het best door veel tijd door te brengen in lage tot matige intensiteit. Denk aan rustige duurtrainingen, waarbij je nog prima kunt praten. Precies hier gebeuren de belangrijkste aanpassingen:

  • meer en efficiëntere mitochondriën (de energiefabrieken in ons lichaam)
  • betere vetverbranding
  • een sterker hart met groter slagvolume
  • verbeterde doorbloeding van de spieren

Van der Poel draaide in zijn topjaren extreme volumes in deze zone. Niet met korte, felle prikkels, maar door weken en maanden achter elkaar een enorme aerobe basis te bouwen. Intensiteit kwam later en gedoseerd.

Waarom trainen buiten je eigen sport?

Dat Van der Poel zijn kilometers vooral lopend en fietsend maakte, was geen toeval. Het grote voordeel van trainen in een andere sport is dat je:

  • het cardiovasculaire systeem maximaal belast, zonder steeds dezelfde spieren en gewrichten te slopen
  • technische ruis wegneemt: bij rustig fietsen of lopen hoef je minder na te denken over techniek dan op het ijs
  • meer volume aankunt met een lager blessurerisico

Voor schaatsers is urenlang schaatsen simpelweg te belastend. De houding is statisch, de spierbelasting groot. Fietsen en hardlopen maken het mogelijk om tóch aan die aerobe motor te sleutelen, zonder structureel over de grens te gaan.

Is extreem veel trainen voor iedereen weggelegd?

Kort antwoord: nee.

Zeer hoge volumes vragen om:

  • jarenlange trainingsgeschiedenis
  • uitstekende belastbaarheid
  • voldoende hersteltijd (slaap, voeding, stressmanagement)

Wat bij Van der Poel werkte, is het resultaat van een zorgvuldig opgebouwd systeem niet van “gewoon meer doen”. Voor veel sporters leidt blind kopiëren juist tot overtraining, vermoeidheid of blessures.

Belangrijker dan het absolute volume is de relatie tussen belasting en herstel. Meer trainen is alleen zinvol als je het ook kunt verwerken.

Wat kunnen wij als fietsers hiervan leren?

Misschien wel meer dan je denkt.

1. Duur is geen vies woord

In een tijd van korte trainingen en intervalblokken laat deze aanpak zien hoe krachtig een grote aerobe basis is. Lange, rustige ritten vormen nog altijd de fundering.

2. Afwisseling vergroot je belastbaarheid

Hardlopen, langlaufen, wandelen of zelfs roeien kan helpen om je conditie te verbeteren zonder altijd op de fiets te zitten. Zeker in de winter of in herstelperiodes.

3. Intensiteit is de kers, niet de taart

Zonder stevige basis blijft intensieve training oppervlakkig. Eerst inhoud, dan snelheid.

4. Train voor de lange termijn

De successen van Van der Poel en nu ook Jílek zijn geen quick wins. Ze zijn het resultaat van jarenlange consistentie, iets waar wielrenners soms te weinig geduld voor hebben.

Conclusie

De schaatsers laten zien wat veel fietsers diep vanbinnen al weten, maar soms vergeten: uithoudingsvermogen bouw je met tijd. Niet met trucs, maar met consistent volume, slimme afwisseling en respect voor herstel. Je hoeft geen Olympisch kampioen te worden om daar profijt van te hebben zolang je het maar toepast op jouw niveau.

De wijze les die schaatsers aan fietsers kunnen leren