Guus van den Eijnden: "Het is mijn droom om wereldkampioen te worden in de cross"
Getty

Grote rondes, Monumenten en talloze ritzeges in grote rondes. De laatste pakweg twaalf jaar heeft Nederland als wielerland weinig te klagen. Een gouden generatie is echter eindig. Bicycling stelt de talenten van morgen voor. Met in deel 4: Guus van den Eijnden.
Wanneer ben je begonnen met wielrennen?
“Toen ik een jaar of zes was, begon ik met BMX. Op mijn tiende ben ik nog Europees kampioen geworden. Ik combineerde BMX tot de nieuwelingen met cross. Cross vond ik uiteindelijk leuker om te doen en daarom ben ik ook een beetje op de weg gaan fietsen en koersen. In mijn juniorentijd reed ik voor WV Schijndel en als belofte ben ik opgepikt door de opleidingsploeg van Alpecin-Premier Tech. Ik kwam binnen als crosser, maar ben me ook op de weg blijven ontwikkelen.”
Als we nog even teruggaan naar het begin: hoe vonden je ouders dat je ging BMX’en?
“Toen ik klein was, vonden ze het leuk, maar toen ik iets ouder werd, kregen ze er iets meer moeite mee. Het is gevaarlijk. Of ik veel gebroken heb? Dat valt mee. Een keer een klein breukje in mijn sleutelbeen en hechtingen in mijn scheenbeen. Het is een grappig verhaal hoe ik verzot raakte op BMX’en. Op een dag gingen we naar Intratuin en reden we langs een BMX-baan. Ik dacht: dat wil ik eens proberen. Niet veel later ben ik daar op een gewone fiets een rondje gaan rijden. Ja, eigenlijk is het allemaal begonnen met een bezoek aan Intratuin.”
Is wegwielrennen uiteindelijk per ongeluk op je pad gekomen?
“Ja, eigenlijk wel. Ik vond crossen het leukste om te doen, maar mijn zus reed ook al een beetje op de weg. Ik ben eens meegegaan met haar. Ik vond het wel leuk, maar ik moet zeggen dat ik als jeugdrenner dacht dat koersen op de weg heel saai zou zijn. Toen ik het daadwerkelijk ging doen en het spelletje leerde begrijpen, begon ik het echter steeds leuker te vinden.”
Is het tactische spelletje spelen ook iets waar je goed in bent?
“Dat denk ik wel, ja. Ik kan de koers goed lezen en zien met welke groepjes ik moet meezitten. Een type Gianni Vermeersch? Daar kan ik me in vinden. Hij is net als ik iemand die efficiënt door het peloton rijdt en oog heeft voor de juiste ontsnappingen. Dat heb ik ook in me, denk ik.”
Hoe ben je bij Alpecin-Premier Tech terechtgekomen in 2024?
“Toch vooral door de cross. Als tweedejaars junior reed ik een sterk seizoen. Ik won een Wereldbekerwedstrijd en eindigde derde op het EK. Zodoende werd ik benaderd om een inspanningstest af te leggen. Ja, daar was ik best nerveus voor. Het ging gelukkig goed en ik kon tekenen. Ik was dolgelukkig, want het was het team waarvan ik droomde. Alpecin-Premier Tech is hét team dat de cross en wegwielrennen combineert.”
In 2025 werd je vierde in Parijs-Roubaix U23 en veertiende in Luik-Bastenaken-Luik U23. Dit jaar finishte je derde in Parijs-Roubaix en zevende in Luik. Wat ligt je het beste?
“Ik vind vooral de combinatie mooi. Op PCS staat dat ik 1.78 meter ben en 63 kilogram. Ik ben nog een beetje gegroeid, maar het klopt dat ik redelijk klim. De echt lange beklimmingen liggen me minder goed, maar de inspanningen die je doet in de Ardennen passen op dit moment het beste bij me, denk ik. Mijn toekomst bij de ploeg is weleens ter sprake gekomen, want die goede prestaties hebben uiteraard mogelijkheden geopend om mezelf ook op de weg verder te ontwikkelen. Ik zou de cross en weg sowieso willen blijven combineren.”
Afsluitend: waar zou je over vijf jaar willen staan?
“Het is mijn allergrootste droom om wereldkampioen te worden in de cross. Dat is het altijd al geweest, en dat is het nog steeds. Binnen vijf jaar is wellicht krap, maar je moet dromen. En uiteraard is het ook mijn bedoeling om dan wegrenner te zijn in de WorldTour. Het rijtje Van der Poel, Del Grosso, Remijn, Van den Eijnden… Ja, daar zou ik voor tekenen.”









