Jelte Krijnsen: De onzichtbare hersenschudding met grote gevolgen

Update: 19 april 2026 om 15:26

Tim de Waele / Staf - Gettyimages

Tim de Waele / Staf - Gettyimages

Het voorjaar van 2026 had het seizoen van Jelte Krijnsen moeten worden. De periode waarin hij zich in de klassiekers echt zou laten zien. In plaats daarvan stond hij aan de kant. Niet omdat zijn benen het niet aankonden, maar omdat zijn hoofd op de rem trapte. De nasleep van een val in de Ronde van Wallonië bleek veel groter dan eerst gedacht. Wat toen niet als hersenschudding werd vastgesteld, wijst nu steeds nadrukkelijker die kant op.

En dus gaat dit gesprek niet alleen over koers. Het gaat ook over iets waar in het peloton nog te vaak te luchtig over wordt gedaan: rust. Over prikkels. Over het vreemde gevecht waarin je lijf sterk voelt, maar je systeem toch zegt: tot hier en niet verder.

Wie goed leest, ziet ook iets anders. Niet alleen een renner in revalidatie, maar misschien wel een Nederlandse klassiekerrenner voor de komende jaren. Misschien niet in het voorjaar van 2026. Misschien juist daarom in 2027.

>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.

“Wat is er nou precies aan de hand?”

Jelte Krijnsen: “In de Ronde van Wallonië is er toen geen hersenschudding geconstateerd. Maar nu lijkt het er wel steeds meer op dat het dat toch is geweest, of iets in die richting. Ik ben net drie dagen bij een neurologisch instituut geweest voor behandelingen. Daar noemden ze het een traumatic brain injury. Dat is eigenlijk een bredere term voor hersenschuddingachtige klachten.”

“Waarom duurde het zo lang voordat dat duidelijk werd?”

Krijnsen: “Vooral omdat de symptomen laat kwamen. De dag van de val en de dag erna had ik eigenlijk geen klachten. Ik ben ook gewoon gestart in die meerdaagse. Pas na de finish van de dag erna begonnen de klachten. Daardoor ben ik er te lang mee doorgelopen, zonder het echt rust te geven. Dat heeft het wel verergerd.”

“Wat voelde je dan?”

Krijnsen: “Vorig jaar begon het eigenlijk al met het gevoel dat ik niet meer diep kon gaan. Rustig trainen ging prima, maar als ik in koers volle bak moest, dan trapte mijn lichaam gewoon op de rem. Daarna werd ik snel vermoeid. En hoe langer ik ermee bleef rijden, hoe meer hoofdpijn ik kreeg en hoe erger de klachten werden.”

“En toen kwamen die klachten later weer terug?”

Krijnsen: “Ja, ongeveer een maand geleden begon het opnieuw. Eerst extreme vermoeidheid. Een paar dagen later kwam daar hoofdpijn bij, en ook gevoeligheid voor prikkels. Meerdere mensen die tegelijk praten in een ruimte, daar kon ik dan slecht tegen.”

Dat is misschien wel het verraderlijkste aan dit soort klachten. Wielrenners zijn gewend aan pijn die je kunt aanwijzen. Een knie. Een rug. Een gebroken sleutelbeen. Maar dit is diffuser. Minder zichtbaar. En precies daarom gevaarlijk. Je kunt er nog best gezond uitzien, terwijl je systeem intern volledig protesteert.

“Was dat ook lastig uit te leggen richting ploeg en artsen?”

Krijnsen: “Ja, heel lastig. Je kunt het niet echt aantonen. Ik heb een CT-scan van mijn hersenen laten maken, maar daar was gelukkig niks op te zien. Alleen maakt dat het ook lastig om over te brengen, want het is vooral een gevoel dat je moet beschrijven. En dit zijn klachten waar niet iedere arts, zeker niet iedere ploegarts, superveel kennis van heeft. Daarom heb ik nu ook externe hulp ingeschakeld. Daar heb ik wel meer vertrouwen in.”

“Dan wordt rust ineens iets heel serieus.”

Krijnsen: “Ja, absoluut. Daar ben ik nu wel echt achter gekomen. Soms is niets doen gewoon het beste wat je kunt doen.”

En daar zit de kern van dit gesprek. Rust klinkt in wielrennen vaak als iets passiefs. Iets voor een rustdag op papier. Iets wat je doet tussen twee échte inspanningen door. Maar bij Krijnsen werd rust een vak op zich. Een noodrem. Een behandelvorm. Misschien zelfs een ondergewaardeerde prestatieprikkel.

“Ben je daardoor anders naar ontspanning gaan kijken?”

Krijnsen: “Ja, zeker. De laatste tijd ben ik daar veel meer mee bezig. Ook omdat het nodig was door die hoofdklachten. Vroeger dacht ik op een rustdag vaak: mooi, dan heb ik tijd om de hele dag met mijn studie bezig te zijn. Maar ik ben er nu wel achter gekomen dat dat niet altijd werkt. Soms heb je gewoon een dag nodig om echt niks te doen.”

“Hoe ziet die ontspanning er dan uit?”

Krijnsen: “Ik ben laatst een paar keer naar de thermen geweest met mijn vriendin. Daar merk ik echt dat ik er baat bij heb. Geen schermtijd, weinig prikkels, gewoon quality time. Dat helpt.”

Geen schermtijd. Minder prikkels. Thermen. Ademhaling. Het klinkt bijna te eenvoudig voor een sport die zichzelf graag ingewikkeld maakt met watts, blokken, voedingstabellen en aerodynamische mouwen. Maar misschien zit daar juist het punt. Dat ontspanning in het moderne wielrennen nog vaak als luxe wordt gezien, terwijl het voor sommige renners gewoon randvoorwaarde is om überhaupt weer hard te kunnen rijden.

“Werk je ook bewust aan ademhaling?”

Krijnsen: “Ja, daar ben ik de laatste tijd mee begonnen. Mijn fysiotherapeut is bezig met een cursus tot ademcoach, dus daar heb ik ook wel veel aan. Dat helpt me echt bij het ontspannen.”

“Intussen zit je wel in een fase waarin je je juist had willen laten zien.”

Krijnsen: “Ja, dat was wel lastig. Vooral dit jaar. Vorig jaar maakte ik me nog minder zorgen, want toen had ik net een tweejarig contract getekend en dacht ik: dit komt wel goed. Maar dit jaar had ik er totaal niet op gerekend dat die klachten terug zouden komen. En ik heb voor volgend jaar nog geen contract. Dan is het voorjaar natuurlijk wel de periode waarin je jezelf het liefst laat zien. Dus ja, dat is gewoon klote dat dat niet is gelukt.”

“Toch heb je nog wel iets kunnen laten zien.”

Krijnsen: “Ja, gelukkig wel. Ik heb in het voorjaar nog goede koersen gereden. Nieuwsblad bijvoorbeeld, en daarvoor nog een paar Spaanse koersen en Oman. Daar had ik geen klachten. Dus ik ben wel blij dat ik daar nog enigszins heb kunnen laten zien wat ik in me heb.”

Dat is ook waarom dit verhaal niet alleen tragisch is. Het is ook hoopvol. Want tussen de regels door hoor je een renner die al genoeg heeft laten zien om serieus genomen te worden. Niet als aardig talent. Niet als jongen die leuk mee kan. Maar als iemand met een profiel waar Nederland nooit genoeg van kan krijgen: een renner voor de zware voorjaarskoersen.

“Was het altijd logisch dat je prof zou worden?”

Krijnsen: “Nee, eigenlijk niet. Zeker in mijn eerste jaren bij de beloften dacht ik juist dat het heel lastig zou worden. Tijdens corona had ik minder mogelijkheden en moest ik veel zelf regelen. Ik had de droom eigenlijk een beetje op pauze gezet. Maar ik vond het zo mooi om te doen dat ik doorging. In mijn laatste jaren als belofte begon ik echt grote stappen te zetten.”

“Waar zat dat kantelpunt?”

Krijnsen: “Dat was een combinatie van dingen. Ik had in eerdere seizoenen ook blessures gehad, en daardoor miste ik kansen om sneller door te groeien. Op een gegeven moment dacht ik: ik ga er nu gewoon alles uithalen. Ik ben mezelf gaan trainen, heb heel veel gelezen, veel gevraagd aan andere renners, veel geleerd. En ik ben ook een heel seizoen blessurevrij doorgekomen. Daardoor kon ik ineens veel meer wedstrijden rijden en ook profkoersen rijden. Dat heeft me echt beter gemaakt.”

“Je bent dus ook een renner die veel zelf nadenkt.”

Krijnsen: “Ja, ik ben wel heel nieuwsgierig en leergierig. Ik vraag veel aan andere renners, lees onderzoeken over training en voeding en probeer veel kennis op te doen. Daardoor wist ik op een gegeven moment ook wel wat er nodig was om mezelf te trainen.”

“En tegelijk ook leren remmen.”

Krijnsen: “Ja, dat ook. Ik heb wel geleerd om goed naar mijn lichaam te luisteren. De eerste winter dat ik dat allemaal zelf deed, reed ik mezelf af en toe helemaal over de kop. Dan stond er een intervaltraining op het programma en voelde ik halverwege al: dit is vandaag helemaal niks, ik moet gewoon rustig aan doen. Dat hoort er ook bij.”

Dat is een interessante tegenstelling. Krijnsen is duidelijk geen renner die alleen maar op gevoel wat doet. Hij denkt, leest, analyseert, test. Maar uiteindelijk komt hij toch weer uit bij hetzelfde woord dat in dit hele gesprek steeds terugkeert: voelen. En dan niet zweverig voelen, maar topsportmatig voelen. Op tijd herkennen wanneer je door kunt. En vooral wanneer niet.

“Hoe was de overstap naar de profs?”

Krijnsen: “Best groot. Vooral in het begin. Ik had natuurlijk zelf een bepaald idee van wat voor mij werkte. En bij een profteam kom je in een structuur terecht met andere ideeën. Dan wil je ook niet meteen als eerstejaars broekie te eigenwijs zijn. Maar na een paar maanden kreeg ik steeds beter in de gaten wat wel en niet voor mij werkt. Nu zitten mijn trainer en ik wel op een goede lijn samen.”

“Dus je hebt nog steeds inspraak?”

Krijnsen: “Ja, zeker. Ik durf altijd wel te zeggen als iets niet werkt of niet goed voelt. Die transparantie is ook nodig, want daar kan een trainer ook beter van worden.”

Soccrates Images / Contributor - Gettyimages© Soccrates Images / Contributor - Gettyimages

“Waar hoop je over twee jaar te staan?”

Krijnsen: “Ik hoop vooral dat ik dan twee mooie jaren achter de rug heb waarin ik heb kunnen laten zien wat ik waard ben. En eerlijk: ik kijk nu al uit naar het voorjaar van volgend jaar. Dat blijft toch iets magisch hebben. Ik heb er nu een beetje van kunnen proeven, maar hoe ik daar rondrijd als ik echt top ben, dat weet ik zelf ook nog niet helemaal. Dat is voor mij ook nog een vraag. Maar ik denk wel dat ik daar, als alles goed loopt, voor een top 10 of beter mee kan doen.”

“Welke koers zou je ooit willen winnen?”

Krijnsen: “De Ronde van Vlaanderen.”

“En is dat ook de koers die jou het best ligt?”

Krijnsen: “Ja, dat denk ik wel. Sowieso van alle Vlaamse koersen. Omdat het de langste is. Dan heb je al drie uur koers in de benen voordat het echt begint. Dat ligt mij wel. Van de monumenten denk ik dat Parijs-Roubaix daarnaast ook een koers is waar ik kans zou kunnen hebben.”

En daar is hij dan, de zin die eigenlijk alles samenvat. Niet uitgesproken als borstklopperij, maar als rustig geloof. Ronde van Vlaanderen. Niet als jongensdroom die je in een café roept omdat het lekker klinkt, maar als koersanalyse van iemand die weet wat zijn lichaam kan, wat zijn motor is en waar zijn profiel ligt.

“Zie jij jezelf als optimist of pessimist?”

Krijnsen: “Op dit moment wel als optimist. Als je het me twee of drie weken geleden had gevraagd, was dat misschien anders geweest. Toen zat ik echt midden in de shit. Maar nu zit er gewoon een stijgende lijn in.”

“Dus er is weer perspectief.”

Krijnsen: “Ja, zeker. Het gaat steeds beter. Ik merk dat er echt vooruitgang in zit. En daar ben ik heel blij mee.”

Jelte Krijnsen en de waarde van op tijd remmen

Misschien is dat wel de echte les van dit gesprek. Dat wielrennen nog altijd verliefd is op de renner die doorgaat. Die pijn wegdrukt. Die zelfs half kapot nog wil koersen. Mooi voor de mythologie, minder mooi voor een zenuwstelsel dat om herstel schreeuwt.

Krijnsen klinkt niet als iemand die kleiner uit deze periode komt. Eerder scherper. Bewuster. Nog steeds hongerig, maar minder blind. En dat zou hem zomaar sterker kunnen maken dan het voorjaar van 2026 ooit had gedaan. Dus ja, hij ontbrak dit jaar in de klassiekers door de nasleep van een val in de Ronde van Wallonië. Maar schrijf zijn naam niet kleiner op. Eerder groter. Want als rust inderdaad zo onderschat is als dit gesprek suggereert, dan zou Jelte Krijnsen weleens een renner kunnen zijn die daar straks de vruchten van plukt.

Het voorjaar van 2026 kreeg hem niet klein. Het haalde hem alleen even uit de koers. Voor even. Want als dit het jaar is waarin hij leert stoppen, dan zou 2027 zomaar het jaar kunnen worden waarin niemand hem meer stopt.