Tour de France 2026

Kan je zelf de Tour de France rijden als gemiddelde fietser? Dit is het antwoord

Praat mee!

© Getty Images

Kan je zelf de Tour de France rijden

Je kijkt naar de Tour de France, ziet renners moeiteloos over Alpenreuzen vliegen en vraagt je af: zou ik dit zelf ook kunnen? Het is een vraag die veel recreatieve wielrenners zichzelf stellen. Misschien heb je al eens een granfondo gereden, fiets je ieder weekend honderd kilometer of droom je ervan om ooit een etappe van de Tour na te rijden. Maar hoe groot is de kloof tussen een gemiddelde fietser en een Tourrenner werkelijk?

>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.

Het korte antwoord: nee, de meeste gemiddelde fietsers kunnen de volledige Tour de France niet uitrijden. Het langere antwoord is een stuk interessanter.

Waarom de Tour de France zoveel zwaarder is dan je denkt

Op televisie lijkt de Tour soms bijna normaal. Renners fietsen een paar uur, komen over een berg en stappen vervolgens lachend van hun fiets. De werkelijkheid is compleet anders. Tijdens de Tour de France leggen renners ruim 3.300 kilometer af in slechts drie weken. Gemiddeld rijden ze meer dan 150 kilometer per etappe en halen ze snelheden van ruim 40 kilometer per uur. Daarbij krijgen ze slechts twee rustdagen om te herstellen van de opeenstapeling van inspanningen. Is dat gezond? Dat lees je in Zijn Tour de France renners echt gezond?

Voor een gemiddelde Nederlandse fietser zit de uitdaging niet eens in één losse etappe. Veel recreanten kunnen met voldoende training prima een rit van 150 kilometer afwerken. Het verschil zit in het feit dat Tourrenners dit 21 keer doen, vaak in extreme weersomstandigheden en op enkele van de zwaarste beklimmingen ter wereld.

Zou je één Tour-etappe kunnen rijden?

Dat verandert de zaak aanzienlijk. Een gezonde recreatieve wielrenner met een redelijke basisconditie kan veel Tour-etappes waarschijnlijk wel uitrijden. Zeker vlakke ritten of heuvelachtige etappes zijn voor goed getrainde amateurs haalbaar, al zal het tempo aanzienlijk lager liggen dan dat van het profpeloton. De echte uitdaging begint zodra de bergen verschijnen. Beklimmingen zoals de Col de la Loze brengen renners boven de 2.300 meter hoogte, waar de ijlere lucht een extra aanslag vormt op het lichaam. Zelfs ervaren amateurs merken daar direct het verschil. (Bicycling Nederland)

Wie ooit een Alpencol heeft beklommen, weet hoe genadeloos zwaartekracht kan zijn. Daarom is het slim om vooraf te werken aan je klimcapaciteiten. Op Bicycling lees je bijvoorbeeld meer over slim trainen voor langere beklimmingen en ontdek je hoe je ook zonder bergen kunt werken aan je klimvermogen in deze gids over klimtraining zonder heuvels. In het artikel Col de la Loze: de hoogste berg in de Tour de France 2025, lees je hoe zwaar het is om op een hoogte boven de 2.000 meter te fietsen

Het grootste probleem is niet je conditie, maar herstel

Veel amateurs onderschatten hoe belangrijk herstel is in een grote ronde. Een zware toertocht rijden op zaterdag en zondag nog een rustige rit maken voelt voor veel fietsers al pittig. Tourrenners doen dat drie weken achter elkaar op een niveau dat nauwelijks voorstelbaar is. Dagelijks verbranden zij tussen de 6.000 en 8.000 calorieën en moeten die energie voortdurend aanvullen om niet volledig leeg te raken. Hun complete leven draait om eten, slapen, trainen en herstellen. Dat verklaart waarom zoveel recreanten na een zware fietsweek op trainingskamp ineens merken hoe vermoeiend opeenvolgende dagen fietsen kunnen zijn. Niet de eerste rit breekt je op, maar de vijfde.

Lees ook: Coen Rijpma: "Die uren op de fiets waren een soort rustmoment"

Wat als je het tempo van de Tour mag loslaten?

Hier wordt het interessant. Als je de officiële tijdslimieten, het wedstrijdtempo en de dagelijkse afstanden van het profpeloton loslaat, wordt een Tourparcours voor veel meer fietsers bereikbaar. Jaarlijks rijden duizenden amateurs evenementen als L'Étape du Tour, La Marmotte of meerdaagse Alpenuitdagingen waarbij dezelfde cols worden beklommen als in de Tour de France. Met voldoende voorbereiding kunnen recreatieve fietsers verrassend veel aan. De sleutel ligt in gerichte training. Klimvermogen, krachtuithoudingsvermogen en pacing zijn veel belangrijker dan pure snelheid. Artikelen zoals deze intervaltrainingen voor klimmers en krachttraining voor wielrenners die beter willen klimmen kunnen daarbij een groot verschil maken. Met deze drie intervaltrainingen klim je sneller en efficiënter.

Hoe groot is het verschil tussen jou en een Tourrenner?

Waarschijnlijk groter dan je denkt. Een gemiddelde recreatieve fietser traint enkele keren per week en rijdt vooral voor plezier, gezondheid en persoonlijke doelen. Tourrenners trainen vrijwel dagelijks en beschikken over een uitzonderlijk hoge VO2max, een van de belangrijkste indicatoren voor uithoudingsvermogen. Volgens experts ligt die waarde bij Tourrenners vaak ongeveer twee keer zo hoog als bij een goed getrainde amateur. Daar komt nog bij dat profs jarenlang hebben gewerkt aan hun efficiëntie, herstelvermogen en vermogensoutput. Het verschil zit niet alleen in de motor, maar ook in de mogelijkheid om die motor dag na dag maximaal te benutten.

Dus: kan een gemiddelde fietser de Tour de France rijden?

Als je bedoelt: kan ik morgen aan de start verschijnen en drie weken met het peloton meerijden? Dan is het antwoord nee. Maar als je bedoelt: kan ik met voldoende training dezelfde wegen, cols en iconische beklimmingen rijden als de Tourrenners? Dan is het antwoord absoluut ja. Sterker nog: dat is voor veel fietsers een realistischer en misschien zelfs mooier doel. Je hoeft geen prof te zijn om de magie van de Tour te ervaren. Een beklimming van de Alpe d'Huez, de Tourmalet of de Col de la Loze voelt voor een amateur vaak net zo heroïsch als een etappezege voor een prof. En misschien is dat uiteindelijk wel de mooiste les van de Tour de France: niet hoe hard je rijdt, maar dat je de top bereikt.