Kannibaal op wielen: Aan het einde van de Tour eet het lichaam zijn eigen spieren
Getty Images

Gisteren rolde het peloton over de finish in Parijs. Een paar renners gooiden de armen in de lucht, de rest wilde vooral van die fiets af. Wat de camera's lieten zien, was het feest. Wat ze niet lieten zien, is wat er vanochtend nog steeds in die lijven gebeurt. Drie weken lang zijn deze moderne gladiatoren op een manier belast waar geen verzekeraar aan wil beginnen, en het lichaam heeft daarvoor een oplossing gevonden die je niet wilt horen: het is zichzelf gaan opeten.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
De motor eet zichzelf op
Een Tourrenner verstookt zo'n 6000 kilocalorieën per dag, met uitschieters naar 9000 op de zwaarste bergetappe. Na ongeveer een week zijn de koolhydraten simpelweg niet meer aan te slepen. Dan schakelt het lichaam over op een noodstand en gaat het een deel van zijn eigen eiwit verbranden als brandstof. Volgens de herstelexperts van de teams loopt dat op tot zo'n twintig procent van de energievoorziening. Vertaald: de renner verbrandt zijn eigen spieren. Vandaar dat iemand er in de derde week uitgehold uitziet. Niet ingebeeld, letterlijk.
Ook het bloed verschraalt. Door de aanhoudende belasting daalt het hemoglobinegehalte, waardoor er minder zuurstof bij de spieren komt. Over de exacte cijfers verschillen bronnen, maar de richting is duidelijk. Zelfs de hartslag zakt mee: waar de maximale hartslag aan de start rond de 190 kan liggen, is die aan het eind soms richting de 175 gezakt. Het lichaam knijpt zichzelf af.
Het immuunsysteem staat wagenwijd open
Matige inspanning maakt je weerstand sterker. Wekenlang keihard koersen doet het tegenovergestelde. Het aantal witte bloedcellen dat indringers opruimt zakt weg, en onderzoekers noemen die toestand niet voor niets het open raam. Zes uur per dag diep ademhalen boven wegen vol uitlaatgassen en stof, handen schudden, en met de halve ploeg op elkaars lip in hetzelfde hotel: het is bijna een recept om ziek te worden. In de laatste week is menig renner net zo veel met zijn luchtwegen bezig als met zijn benen.
Kapot, maar klaarwakker
Je zou denken dat iemand na zes uur koers als een blok slaapt. Vaak is het tegendeel waar. De inspanning jaagt het stresshormoon cortisol omhoog, en dat werkt het slaaphormoon melatonine tegen. Een slaaponderzoek onder profs liet zien hoe zwaar het nachtelijke herstel onder druk staat, zeker na een bergrit. Precies daarom is de dagelijkse massage geen luxe maar een uitknop: de stille kamer en de handen van de soigneur zijn vaak het enige moment op de dag waarop het zenuwstelsel uit de gevechtsstand komt.
En de rest doet ook zeer
Fietsen lijkt gewrichtsvriendelijk, maar de klimhouding drukt de knieschijf bij elke trap tegen het dijbeen. Zijn de bovenbenen te moe om die klap op te vangen, dan gaat de belasting rechtstreeks naar het kraakbeen eronder. Dat is de oorsprong van de befaamde fietsersknie. Tel daar het verlies van natrium, kalium en magnesium via liters zweet bij op, goed voor kramp, plus tientallen uren zadelcontact die bij vrijwel iedereen tot schaafplekken en gevoelloosheid leiden. Enige meevaller: de botten. Omdat je op de fiets je gewicht niet draagt, staan die nauwelijks onder druk. Een grote ronde rijden lijkt op dat vlak nog het meest op een verblijf in de ruimte.
De kop is net zo op als de benen
De schade aan het lichaam is meetbaar, de mentale minstens zo echt. Drie weken elke dag scherp zijn, elke afdaling vol vertrouwen induiken, elke seconde koersen alsof er een contract van afhangt: dat vreet aan de reserves. En bij hitte begint een deel van de ellende pas na de finish, als het lichaam de opgebouwde warmte nog moet zien kwijt te raken.
Rusten? Geen sprake van
Hoe lang herstel duurt, is geen exacte wetenschap. Het hangt af van leeftijd, genetica en het programma erna. Grofweg praat je over een paar weken voor een renner zich weer normaal voelt, en langer voor het lichaam echt is opgebouwd. Het wrange is dat rustig aan doen er meestal niet in zit. In de week na de Tour staan er criteriums op het programma, en de populairste renners rijden er zomaar een paar. Sommigen zitten binnen een week alweer op grote trainingsritten. De fiets helemaal wegzetten werkt zelfs averechts, want dan schiet het lichaam in een soort winterslaap. Dus wordt er zachtjes doorgetrapt, terwijl de motor van binnen nog aan het verbouwen is.
Maar heeft de wetenschap dit niet opgelost?
Deels. De voeding is de afgelopen jaren radicaal veranderd. Waar 60 gram koolhydraten per uur ooit het plafond was, verstouwt een moderne prof er nu tot 120, wat de tank voller houdt en het lichaam minder snel op zijn eigen spieren laat teren. Maagklachten die vroeger halve rondes sloopten, zijn grotendeels verleden tijd. Alleen is die winst niet in comfort gestoken maar in snelheid: dezelfde revolutie geldt als de belangrijkste reden dat de moderne Tour harder en sneller is dan ooit, met 2022 als snelste editie ooit en klimwatts die richting de zeven per kilo kropen zijn we dit jaar 2026 nog harder gegaan zoals bleek in etappe 11. Renners vullen de tank dus niet om hem rustiger leeg te rijden, maar om er dieper op te kunnen gaan. De schade wordt niet kleiner, ze wordt beter bevoorraad. En een gebroken sleutelbeen, een leeggelopen immuunsysteem of een uitgeputte kop lost geen enkele gel op.
Het lichaam verbrandt tijdens een zware inspanning simpelweg veel sneller energie dan de darmen het kunnen opnemen.
- Verbranding: Een renner verbrandt tijdens een zware bergopwaartse inspanning 800 tot 1.000 calorieën per uur.
- Opname: De darmen kunnen tijdens diezelfde inspanning maximaal 480 tot 500 calorieën per uur verwerken.
Reken het allemaal terug naar de renner die zondag over de finish rolde. Iemand die zijn eigen spieren heeft opgestookt, met een verzwakt afweersysteem en een afgeknepen hart de laatste col over is gekropen, en volgende week alweer aan de start van een criterium staat. Wie na een zware zondagrit denkt dat hij kapot is: dat kan maar is het topje van de ijsberg (of vulkaan kunnen we tegenwoordig beter zeggen).












