Kun je verslaafd raken aan trainen? Dit zijn de risico's
Unsplash

Kun je verslaafd raken aan trainen? Voor Louis Vervaeke was het antwoord pijnlijk concreet: de Belgische prof reed zich in de winter van 2021 helemaal stuk, tot zijn lichaam simpelweg weigerde en hij met een burn-out thuis kwam te zitten. Ook oud-prof en NOS-analist Marijn de Vries herkent het patroon: ze trainde ooit vijf uur per dag op veel te weinig brandstof, tot haar haar uitviel. Trainingsverslaving is geen officiële diagnose, maar sportpsychologen zien wel degelijk een herkenbaar patroon van controleverlies, ontwenningsklachten en doorfietsen ondanks blessures of uitputting.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
Wat is trainingsverslaving precies?
"Exercise addiction" staat niet in de DSM-5, het handboek waarmee psychiaters officiële diagnoses stellen, terwijl gokverslaving daar inmiddels wel als gedragsverslaving in is opgenomen. Klinisch gezien bestaat trainingsverslaving dus niet, zo stellen psycholoog Marilyn Freimuth en collega's in een veelgeciteerde overzichtsstudie over het onderwerp (Freimuth, Moniz & Kim, 2011, International Journal of Environmental Research and Public Health).
Toch gebruiken onderzoekers wel een vast begrippenkader: het "componentenmodel van verslaving" van gedragswetenschapper Mark Griffiths, dat ook ten grondslag ligt aan de meest gebruikte vragenlijst op dit gebied, de Exercise Addiction Inventory. Dat model onderscheidt zes kenmerken: trainen wordt het belangrijkste in je leven (salience), je gebruikt het om je stemming te sturen (mood modification), je hebt steeds meer nodig voor hetzelfde effect (tolerantie), je voelt je onrustig of somber zonder training (ontwenning), het zorgt voor conflicten met partner, vrienden of werk (conflict), en je valt na een korte onderbreking meteen terug in het oude patroon (terugval).
Freimuth en collega's maken daarbij onderscheid tussen primaire en secundaire trainingsverslaving. Bij de primaire vorm is trainen zelf het doel: de beloning zit in het sporten op zich. Bij de secundaire vorm staat trainen in dienst van iets anders, meestal gewichtsverlies, en is het nauw verbonden met een eetstoornis, soms aangeduid als "anorexia athletica". Die overlap is niet verwaarloosbaar: in het Zweedse onderzoek onder topsporters dat verderop in dit artikel aan bod komt, had ruim 15 procent van de sporters met verhoogd risico op trainingsverslaving ook eetstoornis-symptomen.
Hoe herken je het bij jezelf?
Bicycling schreef eerder al een uitgebreide gids over overtraining herkennen en voorkomen, met signalen als een dalende prestatie, aanhoudende spierpijn, een afwijkende hartslag, slechter slapen en een verzwakt immuunsysteem. Trainingsverslaving is daar een laag onder: niet alleen je lichaam raakt uitgeput, ook je gedrag verandert. Je plant sociale afspraken rond je trainingsschema in plaats van andersom. Je rijdt door bij een blessure, ondanks het advies van een fysiotherapeut. Je voelt je schuldig of geïrriteerd wanneer een rit door slecht weer of ziekte niet doorgaat. En als je wél een dag rust neemt, voelt dat niet als herstel maar als onrust.
Dat is precies waar het verschil zit met "gewoon" overtraind zijn. Overtraining is in de kern een fysiologisch probleem: te veel belasting, te weinig herstel. Trainingsverslaving heeft een gedragsmatige kern: de dwang om te blijven trainen, ook wanneer je lichaam of je omgeving allang "stop" zegt. In de praktijk lopen ze vaak in elkaar over, zoals je ook kunt lezen in dit artikel over het verschil tussen moe en overtraind zijn.
Hoe vaak komt het voor?
Cijfers over trainingsverslaving bij recreatieve wielrenners zijn schaars, maar onderzoek onder topsporters geeft een indicatie. Een studie onder 417 nationale elitesporters uit vijftien takken van sport, gepubliceerd door Lichtenstein, Melin, Szabo en Holm in Frontiers in Sports and Active Living (2021), vond bij 7,6 procent van de deelnemers risicosymptomen van trainingsverslaving, gemeten met de Exercise Addiction Inventory.
Bij sporters tussen de 15 en 19 jaar lag dat percentage met 8,8 procent nog iets hoger, en bij sporters in gewichtsklasse-sporten liep het risico op tot 13 procent (Lichtenstein e.a., 2021). Wielrennen viel niet als aparte categorie op in dat onderzoek, maar de combinatie van een cijfermatige trainingscultuur (wattages, TSS, Strava-segmenten) en een sport waarin een laag lichaamsgewicht wordt beloond, maakt de sport volgens sportpsychologen wel kwetsbaar voor dit patroon.
Die kwetsbaarheid is niet alleen theoretisch. We schreven hier eerder over Michaél Costello, een amateurwielrenner die tijdens de coronapandemie urenlang trainde op vrijwel lege energiereserves, obsessief calorieën telde en uiteindelijk anorexia ontwikkelde. Onderzoek waarnaar dat artikel verwijst, laat zien dat 17 tot 20 procent van de competitieve mannelijke wielrenners kenmerken van verstoord eetgedrag vertoont — een groep waarin trainen en niet-eten vaak hand in hand gaan.
De risico's: van blessures tot RED-S
De gezondheidsrisico's van trainingsverslaving zijn deels dezelfde als bij gewone overtraining, maar dan uitvergroot doordat je jezelf de rust die je nodig hebt structureel ontzegt. Op fysiek vlak gaat het om overbelastingsblessures (stressfracturen, peesklachten), een verstoorde hormoonhuishouding en een verzwakt immuunsysteem. Structureel te weinig brandstof binnenkrijgen ten opzichte van je trainingslast kan leiden tot RED-S (Relative Energy Deficiency in Sport), waarbij je hormoonhuishouding, botdichtheid en immuunsysteem verstoord raken. Bicycling zette eerder op een rij hoe je onderfuelling en RED-S bij wielrennen herkent.
Op mentaal vlak zijn de risico's minstens zo groot: angstklachten, depressieve klachten en, zoals bij Louis Vervaeke, een volledige burn-out. Vervaeke vertelde in de podcastreeks De prijs van de winnaar van Sporza hoe hij zichzelf voorbijliep: "Ik moest lossen en afstappen, mijn lichaam sputterde tegen, ik kon niks meer", zei hij over het moment waarop zijn lichaam het letterlijk begaf tijdens een training. Daarnaast beschreef hij hoe schuldgevoel het patroon in stand hield: "Je begint je schuldig te voelen en je begint te geloven wat ze zeggen. Dat ik een luie renner was bijvoorbeeld" (Sporza, december 2021).
Waarom wielrennen extra gevoelig is voor dit patroon
Wielrennen leent zich voor deze dynamiek om een paar redenen. De sport is extreem meetbaar: elke rit levert een vermogenscurve, een TSS-score en een plek op een Strava-segment op, wat het makkelijk maakt om vooruitgang te blijven najagen zonder ooit "genoeg" te voelen. Marijn de Vries beschreef dat mechanisme treffend toen ze terugblikte op haar eigen overtraining: "Mentaal kan ik echt door een muur gaan en mijn hoofd wou veel meer dan mijn lichaam toen aankon. En dat is heel gevaarlijk" (Sporza, april 2026). Ze ontdekte pas dat het mis was toen een nieuwe begeleider, tevens sportarts, haar bloedwaarden liet prikken en die kritiek laag bleken. Herstel begon daarna vrijwel bij nul, met ritjes van een kwartier.
Daar komt bij dat de wielersportcultuur lijden nog altijd makkelijk verwart met toewijding. "Rusten is voor watjes" is een grap onder wielrenners, maar de ondertoon normaliseert een patroon dat bij een terugkerend signaal, vermoeidheid, een steeds hogere rusthartslag, een dalende hartslagvariabiliteit, eigenlijk een waarschuwing hoort te zijn. Objectieve meetwaarden kunnen dan juist een tegenwicht vormen tegen de neiging om altijd door te gaan, mits je ze ook durft te gebruiken om een keer níet te trainen.
Wat betekent dit voor jou als recreatieve wielrenner?
Je hoeft geen prof te zijn om in dit patroon te belanden, sterker nog, amateurs missen vaak de begeleiding die profs wél hebben (een trainer, een ploegarts, teamgenoten die ingrijpen). Een paar praktische aanknopingspunten om bij jezelf te checken of trainen nog een bron van plezier is, of stiekem een dwang is geworden:
Vraag jezelf eerlijk af of je de afgelopen maand een geplande rustdag hebt overgeslagen omdat je je er schuldig over voelde om niets te doen. Kijk of je weleens bent gaan fietsen met een blessure of verkoudheid, tegen beter advies in. Let erop of je humeur echt omslaat op dagen dat een rit niet doorgaat door werk, weer of familie. En vraag je af of je trainingsschema inmiddels boven sociale afspraken, werk of slaap gaat.
Herken je jezelf in twee of meer van deze punten, dan is dat geen reden tot paniek, maar wel een seintje om het gesprek aan te gaan, met een trainer, een huisarts of, zoals bij Vervaeke, gewoon met je omgeving. Concreet helpt het om rustdagen net zo vast in te plannen als trainingen, en ze net zo serieus te nemen; Bicycling zette eerder op een rij waarom rustdagen voor wielrenners zo belangrijk zijn. Bouw daarnaast bewust variatie in: een week zonder Strava, een rit zonder vermogensmeter, of gewoon een tochtje met vrienden waarbij het aankomsttijdstip niet uitmaakt. Trainen moet een instrument blijven om beter te worden en plezier te houden, niet een dwang die je in stand houdt uit angst voor wat er gebeurt als je even niets doet.
Een kanttekening bij dit artikel: harde Nederlandse cijfers over trainingsverslaving specifiek onder recreatieve wielrenners ontbreken vooralsnog. De hier genoemde percentages komen uit onderzoek onder (internationale) topsporters in uiteenlopende sporten en uit onderzoek naar eetstoornissen bij wielrenners; ze zijn een indicatie, geen directe meting bij de gemiddelde Bicycling-lezer.












