Mijn beste vriend en ik zwijgen al twintig jaar samen
Getty Images

Er zijn op zaterdagochtend om tien uur twee soorten mensen. Mensen die nog in bed liggen, en mensen die al om zeven uur wakker waren om hun bandenspanning te controleren. Ik ben bevriend met de tweede soort. Al twintig jaar.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen. Abonneren op Bicycling magazine of losse nummers kopen doe je in onze shop!
Mijn wekker ging om kwart over acht en daar had ik meteen spijt van. Van de wekker, en ook wel van de afspraak. Tien uur bij het einde van het fietspad, had hij gezegd. Het einde van het fietspad met het stoplicht. Niemand weet waar dat is. Ik wel.
Ik lag daar en dacht: ik kan zeggen dat ik ziek ben. Dat kan altijd, en op zaterdag geloven mensen het meteen. Alleen lig je dan om half elf naar je plafond te kijken en dat is ook niks.
Ik ben traag in de ochtend, dat is het probleem. Andere mensen staan op en zijn dan gewoon meteen iemand. Ik zit eerst een tijd op de rand van mijn bed. Daarna sta ik in de keuken naar de waterkoker te kijken. Er gebeurt niets bij een waterkoker. Dat weet ik. Ik kijk toch.
Om vijf over tien was ik er. Hij stond er al, met die fluorgele helm. Het rare is dat die helm niet lelijk is. Dat is precies wat eraan stoort. Hij is eigenlijk best gaaf.
Hij zei dat ik laat was. Ik zei dat ik niet laat was. Hij zei vijf minuten. Ik zei dat vijf minuten niks is.
Toen reden we.
'Hij hoort mijn ketting al bij de tweede bocht. Hij zegt er niets van, hij kijkt alleen even opzij. Dat is erger.'
Hij rijdt nooit náást je. Hij rijdt een halve fietslengte voor je, en als jij bijtrekt schuift hij weer op. Je fietst dus eigenlijk de hele tijd een wedstrijdje dat niemand heeft afgesproken. Hij ontkent dat. Hij ontkent dat al twintig jaar.
Hij hoort mijn ketting al bij de tweede bocht. Hij zegt er niets van, hij kijkt alleen even opzij.
Dat is erger.
Eerst ging het over de wind, zoals altijd. Daarna over zijn bandenspanning. Hij pompt op vier komma twee. Niet op vier, niet op vier en een half. Vier komma twee. Hij heeft daar een tabel voor die hij zelf heeft gemaakt, met zijn gewicht, de bandenbreedte en of het geregend heeft.
Hij vertelde dat gewoon. Alsof het normaal is wat hij daar zegt.
Ik reed ernaast en raakte afgeleid door een merel, of een spreeuw, die langs vloog. Ik reed bijna de berm in. Hij vroeg wat ik nou weer debiel deed. Ik zei niks. Daarna zwegen we een kilometer of vier.
'In het begin praat je de hele rit vol. En op een dag merk je dat je al twintig minuten niks hebt gezegd. En dat het niemand is opgevallen.'
Dat is het ding met hem, en ik denk dat je dat pas na een jaar of tien krijgt. In het begin praat je de hele rit vol. Je hebt nieuws, je hebt meningen, je moet elkaar nog bijpraten over van alles. En op een dag merk je dat je al twintig minuten niks hebt gezegd en dat het niemand is opgevallen.
Bij die lange rechte weg staat een boom die helemaal scheef is gewaaid. Al zijn takken naar één kant. Hij staat er al zo lang als ik daar fiets en hij valt niet om. Hij staat daar gewoon scheef en het gaat prima met hem.
Ik heb hem nooit aan hem aangewezen.
Bij dat ene huis staat een hond achter het hek die elke zaterdag precies even hard blaft. Niet harder als je dichterbij komt, niet zachter als je weg bent. Gewoon hetzelfde volume van begin tot eind, en daarna gaat hij weer liggen.
Bij elk stoplicht zet hij zijn scherm aan om te kijken wat zijn gemiddelde doet. Dan zegt hij: hè, hij telt door. Dat zegt hij elke keer.
En hij kijkt achterom. Niet om te checken of er een auto aankomt, maar om te controleren of ik er nog ben. Met net iets te veel bezorgdheid in dat hoofd.
Bij de koffie bestelt hij met zo'n stem. Eén toon hoger dan zijn normale stem. Ik denk dat hij het zelf niet hoort, want anders zou hij het niet doen.
Ik zei er niets van.
Op de terugweg zat hij op kop en ik erachter. Hij praatte door, ik verstond de helft, en de helft die ik verstond ging weer over die tabel.
En dat gele ding bewoog daar voor me op en neer, kilometer na kilometer.
'Hij vroeg of het volgende week weer wat was. Ik zei ja. Bij de rotonde stak hij zijn hand op zonder om te kijken.'
Om tien over half een stonden we weer bij het einde van het fietspad.
Hij vroeg of het volgende week weer wat was.
Ik zei ja.
Toen fietste hij naar links en ik naar rechts, en bij de rotonde stak hij zijn hand op zonder om te kijken.
Dat doet hij altijd.












