Mijn lichaam op een papiertje: wat een inspanningstest je leert

Update: 25 december 2025 om 10:54

© Getty Images

Mijn lichaam op een papiertje: wat een inspanningstest je leert

Soms is één test genoeg om je hele lichaam samen te vatten in cijfers. Niet om mooier te maken wat je voelt, maar om onverbiddelijk te laten zien wat er echt gebeurt als je diep gaat. Op deze dag stapte ik op de fiets voor een inspanningstest. Met gezonde tegenzin, een koppig hoofd en de vaste overtuiging dat ik pas stop als mijn lichaam dat afdwingt.

Lief dagboek

10 december 2009

Lief dagboek, vandaag heb ik een inspanningstest. Iets waar ik altijd ontzettend tegenop zie. Bij een inspanningstest zit je op een fiets en wordt er steeds wat weerstand toegevoegd. Je moet 90 omwentelingen per minuut aanhouden en door de toenemende weerstand wordt het steeds moeilijker om dat beentempo vol te houden.

Resultaten van een inspanningstest liegen nooit. Door zo’n test zie je waar je grenzen liggen. En natuurlijk wil ik die liever niet hebben. Als ik iets wil, dan moet dat kunnen en moet er niet zoiets zijn als een lichamelijke grens.

Tot de zwarte sneeuw

Mijn moeder verzekerde me die ochtend dat er rond negen uur echt nog maar weinig files zouden zijn. Maar uiteraard stond ik op weg naar Medisch Centrum Haaglanden muurvast. Niet vooruit te branden. En als ik ergens slecht tegen kan, is het geen vooruitgang. Ik rijd liever om dan dat ik stilsta in een file.

Door de lange file ben ik wel lekker opgefokt. Ik sta op springen om mezelf stuk te fietsen. Maar eerst moeten er wat lichamelijke dingen worden opgemeten, zoals lengte, gewicht en lichaamsvet. Daarna mag ik op de wetenschappelijke fiets plaatsnemen. Allerlei draden worden op mijn lichaam geplakt, zodat straks tijdens de inspanning al mijn lichamelijke spartelingen zichtbaar zijn.

De test wordt voorbereid. De arts zet de monitor met al mijn lichaamsgegevens pal voor mijn neus.
“Zet hem alsjeblieft uit mijn zicht,” zeg ik. Ik wil niet zien dat ik bijna aan mijn limiet zit of het gevoel krijgen dat het al wel genoeg is geweest. Ik stop niet uit mezelf. Ik ga door tot ik zwarte sneeuw zie. Hij draait de monitor weg. Ik blij.

Floor en Sjaan

De inspanningstest begint met heel weinig weerstand. Geen probleem. Steeds komt er iets meer bij zonder dat mijn hoofd “stop” roept. Tot het moment dat het echt irritant begint te worden. Dag lekker tempootje.

“Je zit nu op de 400 watt,” zegt de arts Don de Winter. Erg zwaar. Een deel van mijn hersens zegt: stop maar, goed gedaan. Een ander deel zegt: nooit van mijn leven, ik ga door tot ik van de fiets val.

Er komt weer wat weerstand bij. Het gevecht in mijn hoofd wordt heviger. Het lijkt een worstelpartij tussen “Sjaan, goed gedaan” en “Floor, ga door”. Floor wint nog met overmacht. Het zweet gutst uit mijn lichaam. Ik ga door. Een goede test betekent veel voor me.

De arts moedigt me aan. “Goed zo Jelle, gaat lekker.” Fijn, maar mijn lichaam staat in brand.

Klik. Weer wat weerstand erbij. Ronde twee tussen Sjaan en Floor. Dit keer heeft Sjaan eigenlijk de overhand, maar Floor weet haar op het laatste moment onderuit te halen. Nog gewonnen. Nog een schepje erbovenop. “Au, au, au.” Dat is alles wat mijn lichaam doorgeeft. Echt kappen nu, anders gaat het mis. Maar in de laatste minuten wordt het verschil gemaakt. Kampioen of pannenkoek.

Ik moet dit wattage één minuut volhouden, maar na vijftien seconden begin ik al sneeuw te zien. Geen probleem. Pas als die sneeuw zwart wordt, is het over. De arts telt af. “Nog vijftien seconden Jelle, goed zo.” Gevoelsmatig een kwartier later: “Nog tien… drie, twee, één. En weer wat erbij.” Maar dit is de limiet. In de laatste vijftien seconden zag ik al zwarte sneeuw. Mijn benen werden niet meer goed aangestuurd vanuit de bovenkamer. Ze begonnen te zwabberen en zelfs de omwentelingenteller werd vaag. Feit. Sjaan wint uiteindelijk altijd.

Weg bij dit rare lichaam

De weerstand gaat eraf. Ik hap naar lucht. Mijn hart wil verhuizen. Weg bij dit rare lichaam dat zichzelf uitwringt als een washandje.

“En, hoe ging die?” vraag ik. “Errug netjes,” zegt de arts. Maar ik weet nog van niks, want ik heb geen cijfers gezien. Hij vertelt dat ik 475 watt heb getrapt. Vijftig meer dan vorig jaar. Met een gewicht van iets meer dan 65 kilo kom ik uit op 7,3 watt per kilo. (P.S. Ik weet het protocol van de test niet meer, dus vergelijk het niet met je eigen test).

Mijn doel was tussen de 6,8 en 7. Dat is dus ruimschoots gelukt. Nog even plassen in een potje en bloed laten prikken. Mijn lichaam staat op een papiertje.

Wat je met zo’n test kunt

Een inspanningstest zet gevoel om in feiten. Tijdens de test worden onder andere vermogen, hartslag en ademhaling gemeten. Soms wordt ook lactaat in het bloed bepaald. Daarmee wordt zichtbaar waar je aerobe en anaerobe drempel liggen en hoe efficiënt je lichaam met inspanning omgaat.

De waarde zit niet in het afzien, maar in de uitslag. Die cijfers helpen je om trainingszones te bepalen, je vooruitgang te volgen en bewuster te trainen. Slimmer dus, niet per se harder.

Een inspanningstest is geen oordeel. Het is een meetmoment. En soms is het simpelweg dat ene papiertje dat laat zien wat je lichaam vandaag kan.