Rood licht is stoppen of ... ?
Photo by Mikita Yo on Unsplash

Een jeugdtrainer bekende het publiekelijk. En hij heeft een punt.
Je kent ze. Je bent ze misschien zelf. De fietser die bij een leeg kruispunt niet wacht op groen, even om zich heen kijkt, en dan gewoon doorrolt. Geen auto te bekennen, geen voetganger in zicht. Wat is nou het probleem?
Nou. Jeugdtrainer Jan Schellevis weet het antwoord. En hij weet het uit eigen ervaring, want hij deed het zelf. Midden in een groep jonge renners die hij jarenlang had bijgebracht dat je bij rood licht stopt. Die hij had uitgelegd dat ze als herkenbare fietsers in clubshirt een voorbeeldfunctie hebben op de openbare weg. En die hem vervolgens betrapten terwijl hij door rood reed.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
De bekentenis die telt
Wat het verhaal van Schellevis zo goed maakt, is niet dat hij fout zat. Dat is makkelijk. Het bijzondere is dat zijn oud-leerlingen hem erop aanspraken. Niet agressief, niet met een opgeheven vinger, maar gewoon: "Jan, dat mag niet en dat weet jij ook." En dat hij, in plaats van te sputteren over uitzonderingen en lege wegen, zijn excuses aanbood. Twee keer.
Die scène op dat kruispunt vertelt eigenlijk alles over hoe verkeersveiligheid in de praktijk werkt. Niet via boetes of regels, maar via sociale normen. Via het feit dat je elkaar kent, dat je zichtbaar bent, en dat je op een gegeven moment gewoon niet meer door rood wil rijden omdat de mensen om je heen dat ook niet doen.
Maar ik rij toch voorzichtig?
Het klassieke argument van de roodlichtnegerende fietser is: ik kijk goed, ik rij langzaam, ik doe niemand kwaad. En eerlijk is eerlijk: in veel gevallen klopt dat. Een leeg kruispunt bij een rode knipperaar om zes uur 's ochtends is geen maatschappelijk probleem. Maar er zijn twee dingen die dat argument ondermijnen.
Ten eerste: jij bent niet de enige die die inschatting maakt. En niet iedereen maakt hem even goed. De 73-jarige fietser met slechtere ogen, de scholier met oortjes in, de wielrenner die net een lange klim achter de rug heeft. Als rood licht een persoonlijke afweging wordt, wordt het voor iedereen een persoonlijke afweging. En dan gaat het een keer mis.
Ten tweede: gedrag werkt aanstekelijk. Onderzoek naar verkeersgedrag laat keer op keer zien dat mensen het rijgedrag van anderen kopiëren. Als jij doorrijdt, rijdt de volgende ook door. En de volgende. Het kruispunt dat voor jou veilig leek, is dat een minuut later misschien niet meer.
De wielrennersparadox
Fietsers in het algemeen, en wielrenners in het bijzonder, hebben een reputatie op te houden. Niet altijd een goede. De discussie over fietsers die verkeerregels negeren is zo oud als het asfalt, en de verhouding met automobilisten hangt er al jaren mee samen.
Tegelijk rijden we als groepssport letterlijk in formatie door de openbare ruimte. We zijn zichtbaar, we zijn herkenbaar, en we vragen van automobilisten dat ze geduld hebben, ruimte geven, en ons respecteren als volwaardige weggebruikers. Dat is een terechte vraag. Maar het heeft ook een keerzijde. Wie respect vraagt, moet het ook geven. En dat begint, hoe onromantisch ook, bij een rood stoplicht.
Wat Schellevis eigenlijk laat zien
Het mooie aan zijn verhaal is de cirkel die hij sluit. Jarenlang bracht hij zijn jeugdrenners waarden bij: veiligheid, verantwoordelijkheid, zichtbaarheid als groep. Hij zag die renners opgroeien tot junioren en nieuwelingen. En op het moment dat hij zelf de fout in ging, waren het juist zijn oud-leerlingen die hem terugfloten.
Dat is hoe normen werken als ze écht beklijven. Niet als regels die je opvolgt als iemand meekijkt, maar als gedrag dat je eigen is geworden. Gedrag dat je ook handhaaft als degene die het je leerde, zelf even door de bocht gaat.
Twintig jaar lang leerde hij jeugdrenners stoppen bij rood. Het duurde 2 seconden om het zichzelf te verleren.












