Tom Stamsnijder: ‘Als kind vond ik fietsen echt verschrikkelijk’
© Getty Images

In Bicycling Magazine #5 2025 (uitverkocht in onze shop, nog wel in de winkels) haalt Tom Stamsnijder, voormalig Rabobank- en Sunweb-renner (40), herinneringen op. Over hoogtetenten, hoogtepunten, luisteren naar zijn vader de ex-prof, een val met gevolgen en lol hebben.
Eerste fiets
‘Een Giant met paarse buizen en roestvrijstalen tussenstukken. Ik vond het zeker een mooie fiets, ondanks dat het een derdehandsje was. Mijn broer had er ook op gereden.’
>>>Sinds een dikke week bij onze abonnees op de mat, verkrijgbaar bij de Albert Heijn en o.a. The Readshop: Bicycling Magazine #5 2025. Stampvol reviews, reisverhalen, tips & tricks, achtergrond en interviews. De voordelen van abonneren lees je hier.
Broers
‘Ik heb twee broers en ik was altijd degene die zei: ik ga nooit fietsen. Vooral mijn oudste broer vond de fiets helemaal geweldig, die deed de hele dag niks anders. En de jongste vond het ook schitterend. Ik niet. Dus het is wel typisch dat ik van ons drieën beroepsrenner ben geworden. Wat ik niet leuk vond aan fietsen? Eh, alles haha! Het ging altijd veel te hard en ik vond andere dingen leuk om te doen. Vaak moest ik van mijn moeder mee met mijn broers, zodat zij even rust had. Maar ik vond het vreselijk, ik vroeg altijd: hoe lang moeten we nog? Kunnen we al naar huis?’
Vriend
‘Toen een vriend van school vertelde dat hij ging fietsen bij een club, ging ik mee. Gewoon voor de gezelligheid. Op de Giant van mijn broer, die net een nieuwe fiets had gekregen. Ik was twaalf, denk ik. Ik was snel verkocht, vooral toen we daar wedstrijdjes gingen doen. Want ik bleek aanleg te hebben.’
Beste advies
‘Gewoon lol hebben. Mijn vader zei dat altijd. Als je er lol in hebt, is het goed. En als je er geen lol meer in hebt, moet je iets anders gaan doen. Hij stond vroeger nooit langs de kant te schreeuwen tijdens wedstrijden, wat ik toen best apart vond. Alle ouders hoorde je aanmoedigen, hij was altijd stil. Als ik ernaar vroeg antwoordde hij: daar kom je wel achter op het moment dat je beroepsrenner bent. Toen ik terugkwam van de Vuelta, mijn eerste grote ronde als prof, begreep ik wat hij bedoelde. Alleen als je dit zelf graag wilt, is al die pijn en ellende het waard.’
Support
‘Het is een beetje een gekke dynamiek. De meeste ouders zijn gewoon supportive, maar mijn vader was zelf beroepsrenner en zelfs wereldkampioen veldrijden geweest. Ik kon nooit zeggen: wat weet jij er nou van? Zijn steun bestond vooral uit advies over wat beter kon. Niet altijd wat je wilt horen als je jong bent, natuurlijk. Maar hij was er altijd voor me.’
Veldrijden
‘Ik heb ook een tijdje aan veldrijden gedaan, ik ben zelfs Nederlands Kampioen geweest bij de jeugd. Maar het vwo combineren met alle nationale winterse crossen bleek ingewikkeld. De weg paste sowieso beter bij me. Ik ben van nature langer gebouwd en minder explosief dan mijn vader, dus ik ging me steeds meer op de weg richten. Al bleef ik winterse crossjes in de regio leuk vinden.’
Eerste aankoop
‘Van mijn eerste salaris bij de Rabobank-opleidingsploeg kocht ik een hoogtetent. Dat was toen echt een dingetje; hij moest helemaal uit Amerika komen en kostte zo’n drieduizend euro. Tegenwoordig heel normaal, maar toen nog niet. Rabobank-trainer Louis Delahaye kende het vooral uit de atletiek en wilde met ons testen of het ook iets voor profs was. Ik bleek vrij extreem te reageren op de hoogte; mijn hartslag schoot omhoog. Maar mijn resultaten bij terugkomst waren indrukwekkend. Vandaar dat ik die tent wilde: een investering in mezelf.’
Mooiste tenue
‘Het Rabobank-shirt vond ik altijd mooi, net als het Leopard-tenue: lichtblauw met zwart en wit. Het lelijkste was het Project 1t4i-tenue. Argos was toen al sponsor, maar dat werd pas tijdens de Tour geïntroduceerd. Daarom reden we tijdelijk met een groen-wit-zwart tenue met groene arm- en beenstukken. Beetje jammer. Gelukkig duurde dat maar een half jaar.’
IJdel
‘Ik geloof niet dat ik erg ijdel was nee, in tegenstelling tot veel andere wielrenners. Het maakte mij echt niet uit of de sokken onder of boven de beenstukken gingen, en ik trok rustig iets aan wat vies was als ik wist dat het toch ging regenen.’
Val
‘Tijdens een val in Parijs-Roubaix scheurde ik mijn knie helemaal open. Het was mijn eerste jaar bij Iwan Spekenbrinks ploeg. Ik moest me zo snel mogelijk terugvechten om goed te zijn op het NK, zodat ik nog mee kon naar de Tour. Maar op het NK viel ik opnieuw, waardoor die wond verder openging. Er moesten iets van zesentwintig hechtingen in en het genezingsproces duurde nog veel langer.’
Niet missen
‘Terugkomen na een lange blessure is zwaar. De meeste mensen zien dat traject niet omdat je dan thuis zit. Je wilt zo graag weer fietsen en alles goed doen, maar dat mag niet. Ondertussen voel je de druk om snel te genezen, omdat je bang bent dat anders je contract niet wordt verlengd. Dat maakt bijna elke wielrenner wel een keer mee.’
Wel missen
‘De trainingskampen in Spanje in december en januari. Nu besef ik pas hoe lekker die zon is in de donkere maanden.’
Grappig
‘Om mijn collega Dominic Klemme heb ik veel gelachen. Hij was de clown van de groep, de gangmaker. Zo iemand is belangrijk in een ploeg, zeker als er veel druk is rond de wedstrijden. Later hoorde ik hem in een podcast vertellen dat dat gedrag ook een beetje een façade was; hij probeerde met humor zijn onzekerheden te verbergen. Hij is nu sportpsycholoog.’
Mooie overwinningen
‘Zelf heb ik als prof geen overwinning op WorldTour-niveau behaald, maar als amateur won ik een etappe in een profkoers: de Settimana Ciclista Lombarda. Tweede worden in een Vuelta-etappe (2009) in mijn eerste jaar als prof vond ik ook geweldig. Verder heb ik bijgedragen aan de Parijs-Roubaix overwinning van John Degenkolb en de Giro-zege van Tom Dumoulin.’
Terugkijken
‘Ik heb het maximale eruit gehaald. Ik heb prachtige dingen meegemaakt en bijgedragen aan overwinningen die de wielergeschiedenis ingaan. Ik ben dankbaar dat ik twaalf jaar beroepsrenner mocht zijn. Ik heb er ook vrede mee dat ik moest stoppen vanwege chronische buikklachten. Ik was al vierendertig en mijn lichaam gaf een teken: het was mooi geweest.’




