Training

Trainen achter de brommer: waarom doen profs dit?

Praat mee!

Getty Images

Getty Images

Trainen achter de motor is al meer dan een eeuw een vast onderdeel van het wielrennen, en toch duikt de vraag steeds weer op als je zo'n training voorbij ziet komen: waarom jaagt een renner als Wout van Aert op amper een fietslengte achter een brommer over het asfalt? Van de zesdaagse op de baan tot de voorbereiding van ploegen als UAE Team Emirates-XRG: motorpacing is geen gimmick, maar een bewust ingezet trainingsmiddel. Wat levert het precies op, en waarom kun je het niet net zo goed alleen, of in een groepje, trainen?

Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen. Abonneren op Bicycling magazine of losse nummers kopen doe je in onze shop!

Wat is trainen achter de motor precies?

Bij motorpacing rijdt een renner vlak achter een gemotoriseerd voertuig: een brommer, een lichte motor of, op de baan, een derny met een kleine hulpmotor en een piloot ervoor. Het voertuig bepaalt het tempo, de renner blijft zo dicht mogelijk in het wiel om optimaal te profiteren van de luchtverplaatsing.

Op de baan bestaat er zelfs een aparte discipline omheen. Bij het stayeren rijden renners op houten wielerbanen op hoge snelheid vlak achter een motor, gescheiden door slechts een paar handbreedtes. Ook bij de keirin, waar Nederlanders als Harrie Lavreysen de afgelopen jaren goud na goud pakten, wordt de eerste fase van de wedstrijd aangevoerd door een derny voordat de sprinters worden losgelaten.

Op de weg is motorpacing vrijwel altijd training, geen wedstrijdvorm. En omdat je vlak achter een voertuig rijdt, gebeurt dat nooit zomaar: een ervaren piloot, een afgesloten of rustig parcours en goede afspraken zijn de norm, want de marges zijn klein en fouten hebben op die snelheid meteen gevolgen.

Waarom achter een motor rijden zo veel oplevert

De belangrijkste reden dat motorpacing werkt, is simpel: luchtweerstand. Onderzoekers van onder meer de TU Eindhoven berekenden met stromingssimulaties hoeveel weerstand een wielrenner bespaart in het wiel van een ander. Bij een minimale afstand liep de weerstandsreductie op tot ruim 25 procent, en het effect is groter naarmate het object waarachter je schuilt breder en hoger is dan een fietser (Blocken e.a., Computers & Fluids). Een motor of brommer heeft een aanzienlijk groter frontaal oppervlak dan een fietser, wat verklaart waarom je er in het wiel zoveel harder voor dezelfde inspanning kunt rijden.

Hoe extreem dat kan uitpakken, bewees de Limburger Fred Rompelberg al in 1995: hij fietste op de zoutvlakte van Bonneville in Utah in het kielzog van een dragster naar 268,831 kilometer per uur, een wereldrecord (fredrompelberg268km.nl). In 2018 werd dat record verbroken door de Amerikaanse Denise Mueller-Korenek, die na een sleep tot 80 kilometer per uur door een dragster van 1.000 pk zelfstandig doortrapte naar bijna 296 kilometer per uur (Becycled). Geen enkele renner haalt die snelheden op eigen kracht, en dat is precies waarom motorpacing als trainingsmiddel zo waardevol is: het opent een snelheids- en cadansbereik dat je alleen nooit bereikt. Bij welke snelheid aerodynamica voor de gemiddelde wielrenner al relevant wordt, lees je hier.

Wat het met je cadans en beentechniek doet

Achter de motor kun je een veel hogere cadans aanhouden dan alleen, omdat het voertuig het tempo erin houdt terwijl jij minder kracht per trap hoeft te zetten. Dat is fysiologisch interessant, want pedaalslag bij zeer hoge, ‘supramaximale’ cadansen (grofweg 160 tot 220 omwentelingen per minuut) blijkt lastig en vraagt om een efficiënte krachttoepassing. Onderzoekers vonden een duidelijk verband tussen de kwaliteit van de pedaaltechniek en de maximale cadans die een renner kort kan volhouden, een verband dat sterker was bij minder ervaren fietsers dan bij getrainde renners (Frontiers in Sports and Active Living). Met andere woorden: wie zijn techniek bij hoge cadans traint, went sneller aan snelheid.

Voor baansprinters is dit nog belangrijker. Onderzoek naar de kracht-snelheidsprofielen van elite baansprinters laat zien dat trainingsmodellen die geen rekening houden met cadansen boven de 160 rpm de prestaties bij hoge snelheid met meer dan 40 procent onderschatten, en dat de optimale cadans van een sprinter ruwweg op de helft van zijn maximale cadans ligt (MDPI Sports, via PMC). Wil je die maximale cadans nauwkeurig trainen zonder gevaar voor bloktrap of controleverlies, dan heb je een manier nodig om er veilig aan bloot te staan, en dat is precies waar de motor of derny om de hoek komt kijken. Zie ook ons artikel over het andere uiterste, lage cadans met hoge wattages, en over wat er in je lichaam gebeurt tijdens een sprint.

Racespecifieke intensiteit die je alleen niet nabootst

Een derde reden is misschien wel de belangrijkste voor WorldTour-renners: race-specificiteit. Een motorpacingsessie is zelden een constant tempo. De piloot versnelt, remt af, simuleert een aanval of een bergsprint, en de renner moet daarop reageren, precies zoals in een koers. Volgens Canadese vakmedia gebruiken ploegen als UAE Team Emirates-XRG motorpacing gericht in de opbouw naar grote rondes, en bestond een ‘makkelijke’ trainingsdag van Van Aert ooit uit 90 kilometer rijden aan bijna 40 kilometer per uur, grotendeels achter een motor (Canadian Cycling Magazine). Dat soort variabele, hoge-intensiteitsblokken is in je eentje nauwelijks na te bootsen.

Daarnaast is er een vaardigheidscomponent. Vlak achter een voertuig blijven op hoge snelheid vraagt precisie, concentratie en razendsnelle beslissingen, vaardigheden die renners ook nodig hebben in een nerveus peloton of tijdens een afdaling (Dig Deep Coaching, via Sticky Bottle). Coaches zetten motorpacing dan ook bewust in als combinatie van fysieke en mentale training.

Wat betekent dit voor jou als recreatieve renner?

Zelf achter een motor gaan hangen is voor de meeste wielrenners geen optie, en dat is maar goed ook: het vraagt een ervaren piloot, een veilige locatie en materiaal dat daarvoor geschikt is. Maar het principe achter motorpacing kun je wel vertalen naar je eigen training.

Wil je profiteren van extra tempo en uit de wind fietsen, zoek dan een snelle groepsrit en ga bewust een stukje verder naar achteren zitten, waar je net wat minder beschutting hebt en dus actiever moet blijven. Wil je aan je cadans werken, bouw dan losse blokken op de rollerbank of een vlak stuk weg in waarbij je kort, in een lichte versnelling, richting je eigen maximale cadans gaat, zonder dat je romp meeschudt. En wil je racespecifieke intensiteit trainen zonder motor, kijk dan naar interval- of groepstrainingen met bewust ingebouwde versnellingen en vertragingen in plaats van een lang, constant tempo.

Kortom: de motor zelf is voor de meeste amateurs niet weggelegd, maar de redenen waaróm profs ervoor kiezen, zijn direct te vertalen naar zinvolle blokken in je eigen trainingsschema.