Afzien wordt geromantiseerd: is dat nodig?
Gijs Ferkranus

Thibaut Pinot die volledig overmand door tranen afstapt in de Tour de France. Mathieu van der Poel die minutenlang liggend op de grond moet bijkomen van wéér een winnende inspanning. Positief of negatief en mentaal of fysiek: afzien lijkt te worden geromantiseerd in wielerland. Waarom eigenlijk?
De kunst van het afzien. Het zijn de begrippen puur, rauw en emotie in de blender gegooid. In de wielerwereld lijkt afzien bijna een eretitel. Wie kapot thuiskomt, heeft ‘goed getraind’. Wie nog energie over heeft, had blijkbaar harder gekund. Het narratief moge duidelijk zijn: pijn is progressie, lijden is karakter, vermoeidheid is bewijs van toewijding. No pain, no gain, toch? Het zijn teksten die we meermaals voorbij zien komen op Strava- of Instagram-uploads. Maar voor wie geldt dat precies?
Heroïsche Tour de France-beelden
Veel van de genoemde heroïek komt voort uit de professionele koers. Denk alleen al aan de verscheidene legendarische beelden van de Tour de France die bij eenieder op het netvlies gebrand staan: renners die met holle ogen een berg op kruipen, commentatorstemmen die spreken over ‘episch lijden’ en ‘mentale oorlog’. Beklimmingen zoals de Mont Ventoux en Alpe d’Huez zijn mythisch geworden. Wie daar bovenkomt, heeft niet alleen gefietst, maar ook per definitie geleden. Het zijn meeslepende verhalen, die automatisch onderdeel uitmaken van de wielercultuur. Ze raken aan doorzettingsvermogen, discipline en overwinningen boeken (op jezelf).
De vraag die rijst is: moeten recreatieve fietsers zich spiegelen aan dat ‘ideaal’? Immers: de meeste mensen die op zaterdag of zondag hun fiets pakken, trainen niet voor een podiumplek of andersoortig eremetaal. Ze hebben een baan, gezin en andere verplichtingen. Ze willen fitter worden, het koppie leegmaken en even buiten zijn. Gewoon, om te genieten en een mooie route te rijden langs al het natuurschoon dat de desbetreffende omgeving te bieden heeft. Of gewoon even weg zijn met vrienden en bijkletsen.
Zorgt Strava voor extra prestatiedruk onder recreanten?
Ongemerkt lijkt de prestatielogica echter ook binnen te sijpelen bij recreanten. Strava en soortgelijke applicaties tonen gemiddelde snelheden, wattages, segmenttijden en ranglijsten. Vergelijken wordt daarmee een vanzelfsprekendheid. Waarom reed ik vorige week op exact hetzelfde stukje sneller dan nu? Ik moet hier toch wel een top-tien kunnen rijden? Waarom moest ik nu al zo vroeg afhaken bij die groep? Een subtiele druk lijkt daarmee gecreëerd te worden. Het wordt niet expliciet benoemd, maar de omliggende cultuur suggereert het wel. Beter is hard, harder is sneller en sneller is waardevoller. 1 + 1 = 2, nietwaar? Dat is precies waar het kan schuren. Plezier en progressie hoeven elkaar immers niet uit te sluiten.
Sterker nog: voor recreatieve fietsers kan plezier de progressie juist versterken. Want wie met tegenzin gaat trainen, haakt sneller af. Wie elke rit als ongekende beproeving ziet, houdt dat geen jaren vol. Maar wie geniet van het landschap, van het gesprek naast zich en van de koffie halverwege, bouwt iets duurzaams op. Conditie groeit namelijk niet door één heroïsche rit, maar door de kracht van herhaling. En door week na week op de fiets te stappen, ook als het geen epische tocht is.
Afzien wordt geromantiseerd omdat het zichtbaar is. Een foto van modder, regen en een kapot gezicht vertelt een spectaculair verhaal. Een ontspannen rit van 65 kilometer met twee koffiestops doet dat minder. Maar welke van de twee zorgt ervoor dat je volgende week wéér opstapt? Welke zorgt ervoor dat je thuiskomt met energie over, in plaats van volledig leeg? Welke maakt dat je ’s avonds met een glimlach terugdenkt aan de dag, in plaats van alleen aan de pijn? Het antwoord laat zich misschien wel raden (al blijft ook dit natuurlijk voor iedereen verschillend).
Afzien mag, maar vergeet niet te genieten
Nee, dit is zeker geen advies om enkel op het gemakje te fietsen en nooit een godganse dag volle bak te rijden. Zie dit als een duurzaam alternatief. Rust is allesbehalve een zwakte, een korte rit is geen mislukking. En dat geldt ook voor een rustige rit. Toegegeven, lijden geeft betekenis. Het voelt als een soort investering. Hoe kapotter je thuiskomt, des te waardevoller je tochtje was. Maar laat je niet volledig misleiden door die ‘denkfout’. Je lichaam wordt namelijk ook sterker door gerichte prikkels en voldoende herstel.
Kortom: je hoeft niet kapot te gaan om een ‘echte’ coureur te zijn. Je hoeft geen heroïsche bergen te bedwingen of in de regen te trainen om legitimiteit te verdienen. Fietsen mag ook licht voelen. Sociaal. Ontspannend. Vrij. Misschien zit de echte kracht niet in wie het diepst kan gaan, maar in wie het langst blijft genieten. Afzien mag. Soms hoort het erbij. Maar het hoeft geen identiteit te worden. Je mag ook gewoon fietsen omdat het mooi is.













