Waarom je nog kunt sprinten terwijl je denkt dat je "leeg" bent
Markus Spiske

Veel wielrenners kennen het gevoel. Je rijdt een zware rit of zit diep in een klim en hebt het idee dat er niets meer in de benen zit. Toch gebeurt er vaak iets opvallends. Zodra de finish of een plaatsnaambord in zicht komt, lukt het ineens nog om te sprinten.
Hoe kan dat? Als je echt leeg was, zou dat laatste beetje versnelling immers onmogelijk moeten zijn. Volgens sportwetenschappers ligt de verklaring niet alleen in je spieren, maar vooral in je brein.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
Het brein beschermt je lichaam
Een belangrijke theorie in de sportwetenschap is de zogenaamde central governor theory, ontwikkeld door sportwetenschapper Timothy Noakes. Volgens deze theorie reguleert het brein hoeveel inspanning je lichaam levert, om te voorkomen dat het over zijn fysiologische grenzen gaat.
In plaats van dat vermoeidheid puur ontstaat doordat de spieren leeg raken, suggereert deze theorie dat het brein een soort veiligheidsmechanisme heeft. Wanneer het lichaam signalen van vermoeidheid ontvangt, vermindert het brein automatisch de spieractiviteit. Daardoor voelt een inspanning zwaarder en lijkt het alsof je niet harder kunt.
Het doel daarvan is bescherming. Door het tempo te beperken voorkomt het brein dat je spieren volledig uitgeput raken of dat je lichaam oververhit raakt.
De beroemde “eindsprint”
Een van de bekendste voorbeelden van dit mechanisme is de zogenaamde "end spurt". Onderzoekers hebben vaak gezien dat sporters aan het einde van een inspanning ineens weer meer vermogen kunnen leveren.
Wanneer het brein weet dat de finish dichtbij is, laat het tijdelijk meer inspanning toe. Omdat het gevaar voor overbelasting kleiner wordt, kan het lichaam nog een laatste energiereserve aanspreken.
Dit verklaart waarom renners vaak nog een sprint kunnen rijden, zelfs na een extreem zware rit.
>>> Lees ook: Dit is wat er met je lichaam gebeurt tijdens een sprint
Vermoeidheid is deels een gevoel
Een andere belangrijke conclusie uit onderzoek naar inspanning is dat vermoeidheid niet alleen fysiek is. Het gevoel van vermoeidheid wordt sterk beïnvloed door perceptie. Sporters stoppen vaak wanneer inspanning té zwaar begint te voelen, niet noodzakelijk wanneer hun spieren volledig leeg zijn.
Studies naar inspanning en vermoeidheid tonen aan dat factoren zoals motivatie, competitie en het zien van een finishlijn grote invloed kunnen hebben op prestaties. Zodra het brein verwacht dat een inspanning bijna voorbij is, kan het lichaam tijdelijk meer vermogen leveren.
>>> Lees ook: De invloed van je gezichtsuitdrukking op je fietsprestaties
Wat wielrenners hiervan kunnen leren
Voor amateurwielrenners betekent dit dat het gevoel van “leeg zijn” niet altijd betekent dat er werkelijk geen energie meer beschikbaar is. Het brein speelt een grote rol in hoe zwaar een inspanning aanvoelt.
Daarom lukt het soms toch om nog een versnelling te plaatsen wanneer iemand aanvalt of wanneer een sprint begint. Het lichaam blijkt vaak nog net iets meer te kunnen dan je denkt.
Dat maakt wielrennen ook zo bijzonder. Soms zit de grootste beperking niet in de benen, maar in het hoofd.












