Waarom lichte renners niet altijd voordeel hebben bergop
Getty Images

Er bestaat een hardnekkig idee in de wielersport: hoe minder je weegt, hoe sneller je omhooggaat. Dat kloptvoor een deel en voor een deel ook niet. De relatie tussen lichaamsgewicht en klimvermogen is genuanceerder dan de meeste wielrenners denken. En wie blind gaat op het getal op de weegschaal, kan zichzelf ook tegenwerken.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
Het gaat om watt per kilogram, niet om kilogram alleen
De kern van klimmen is het vermogen-gewichtsverhouding: hoeveel watt je levert per kilogram lichaamsgewicht. Een renner van 60 kilo die 300 watt kan volhouden heeft een verhouding van 5,0 w/kg. Een renner van 75 kilo die 380 watt produceert, haalt 5,07 w/kg en klimt dus sneller, ondanks het hogere gewicht.
Dat is precies waarom Tadej Pogacar, die al jaren de beste klimmer ter wereld is, geen uitgedroogde sprinkhaanfiguur heeft. Hij combineert een relatief laag gewicht met een uitzonderlijk hoog absoluut vermogen.
Gewicht verliezen kost soms ook vermogen
Hier zit de valkuil voor recreatieve wielrenners. Als je afvalt door eten te schrappen, loop je het risico dat je ook spiermassa verliest. Minder spiermassa betekent een lager maximaalvermogen. Per saldo kun je dan lichter zijn maar langzamer klimmen.
Onderzoek naar wielrenners en vermogen-gewichtsverhoudingen laat consistent zien dat renners die op een te laag energieniveau trainen hun herstel belemmeren en uiteindelijk minder trainingsprikkel kunnen verwerken. Het eindresultaat is een slechtere prestatie, ook bergop.
>>> Lees ook: Je fietst en fietst, maar de kilo's blijven, dit is waarom
Aerodruk verdwijnt niet op de berg, maar neemt wel af
Op vlak terrein is luchtdruk de dominante weerstandsfactor. Bergop verandert die verhouding: de snelheden zijn lager, waardoor luchtweerstand minder zwaar meetelt en zwaartekracht de hoofdrol overneemt. Dat is de reden dat lichte renners op steile aankomsten relatief sterker lijken.
Maar op kortere, minder steile klimmen of bij wind bergop blijft aerodynamica relevant. Een renner die 5 kilo lichter is maar een slechte rijhouding heeft, profiteert minder van zijn gewichtsvoordeel dan je zou verwachten. Op beklimmingen als de Mont Ventoux, waar het bovenste deel open en windgevoelig is, speelt dat merkbaar mee.
>>> Lees ook: De waarheid over watt per kilo na je vijftigste
Rijderstype bepaalt mede hoe groot het voordeel is
Er is ook een fysiologisch verschil dat los staat van pure watt-per-kilo. Lichte renners hebben doorgaans een hoger aandeel langzame spiervezels en een efficiënter zuurstofgebruik per kilogram lichaamsgewicht. Dat maakt hen niet alleen lichter, maar ook metabolisch gunstiger voor langdurige inspanning op hoge intensiteit.
Zwaardere renners met veel spiermassa zijn juist in het voordeel bij korte, explosieve klimmen, zoals muurklimmen in de klassiekentraditie. Denk aan de kasseien naar Mur de Huy of de Koppenberg, waar absolute kracht net zo belangrijk is als een gunstige vermogen-gewichtsverhouding.
De grens van gewichtsverlies
Er bestaat een punt waarop verder gewichtsverlies geen voordeel meer oplevert. Dat punt verschilt per persoon en hangt af van vetpercentage, spiermassa en totale gezondheid. Profrenners zitten in de Tour de France soms op lichaamsvetpercentages van 5 tot 7 procent, wat voor de meeste mensen niet haalbaar en niet wenselijk is.
Voor de gemiddelde fietser die beter wil klimmen geldt een simpelere regel: eerst vermogen opbouwen door goed te trainen en voldoende te eten, dan nadenken over gewicht. Een kilo minder op de weegschaal is minder waard dan tien watt meer in de benen.
Conclusie: gewicht is een variabele, niet de oplossing
Licht zijn helpt, maar alleen als het niet ten koste gaat van het vermogen dat je meeneemt de berg op. De renner die het slimste omgaat met de balans tussen energie, herstel en trainingsbelasting, klimt uiteindelijk het best. Dat kan een renner van 62 kilo zijn, maar ook eentje van 74.












