Waarom ouder worden in het wielrennen bijna voelt als falen
© Getty Images

Je bent vijftig. Je rijdt vier keer per week. Je hebt een vermogensmeter, een trainingsplan en een abonnement op een app die je conditie vergelijkt met die van anderen. Je Strava-profiel ziet er netjes uit. En toch, ergens in de buurt van een col of een lokale clubrit, overvalt je het gevoel dat je tekortschiet. Niet tegenover anderen. Tegenover jezelf van twintig jaar geleden.
Dat gevoel is niet toevallig. Het is de wielercultuur die door je hoofd fietst.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
De sport die prestatietijd als identiteit verkoopt
Wielrennen is een sport die zijn deelnemers leert zichzelf te meten. In wattage, in gemiddelde snelheid, in Strava-segmenten. Die meetlat verdwijnt niet als je ouder wordt. Hij wordt alleen steeds onrechtvaardiger. De topprestaties in het wielrennen worden geleverd rond het dertigste levensjaar. Daarna nemen de prestaties geleidelijk af met circa 0,8 procent per jaar. Dat klinkt weinig, maar over tien jaar telt dat op tot iets merkbaars. En het lichaam geeft dat ook aan.
De belangrijkste aanjager van die daling is de VO2max, de maximale hoeveelheid zuurstof die het lichaam per minuut kan opnemen. Boven de 35 jaar neemt de VO2max bij ongetrainde mensen af met circa 1 procent per jaar. Door training kan die daling worden beperkt tot 0,5 procent per jaar. Wie dus doortraint, vertraagt het verval, maar stopt het niet. Dat is biologie, geen kwestie van wilskracht.
Naast de afname in aerobe capaciteit spelen ook verlies van spiermassa en botdichtheid een rol in de achteruitgang van de fietsprestaties met het klimmen der jaren. Krachtraining kan daarin compenseren, maar ook dat heeft grenzen.
Toch gedragen veel wielrenners van vijftig zich alsof die grenzen niet gelden. Waarom?
>>> Lees ook: Ben je ouder dan 50? Zo beslis je of een e-bike bij je past
De sportidentiteit als dragende muur
Een deel van de verklaring zit in hoe de sport zichzelf in het hoofd nestelt. Hoe meer tijd iemand besteedt aan sporten en trainen, hoe groter en belangrijker dat stuk van de identiteit wordt. En hoe kleiner andere stukken van de identiteit vanzelfsprekend ook worden.
Voor iemand die twintig jaar lang fietst, is de wielrenner niet een rol die je aanneemt. Het is wie je bent. Tragere tijden zijn dan geen sportieve teruggang. Ze zijn een aanslag op het zelfbeeld.
Veel sporters hebben het gevoel dat het nooit meer zo mooi wordt als het was, dat ze nooit meer zo goed zullen worden in iets, en dat ze waarschijnlijk ook nooit meer zoveel waardering en aandacht zullen krijgen. Het grootste verlies is misschien wel de identiteit als topsporter. Dit geldt evenzeer voor de serieus fietsende amateur als voor de gepensioneerde prof.
Het probleem is dat de wielerwereld dit gevoel zelden tegenspreekt. De sport viert het jong zijn. Ze begint Tourwedstrijden met een categorie voor beloften, publiceert lijsten van talenten onder de 21 en definieert succes vrijwel altijd in termen van wat je op jonge leeftijd kunt zoals duidelijk te zien is bij Paul Seixas.
>>> Lees ook: Fietsen op latere leeftijd: 10 gouden tips
Wat de wetenschap er tegenin brengt
Toch zijn de feiten genuanceerder dan de cultuur doet geloven. Voor duuronderdelen lijkt de prestatie tot het vijftigste levensjaar veel minder te dalen. We zien een lijn die tussen 35 en 50 jaar overeen komt met een vlak segment in plaats van een lineaire daling over alle leeftijden. Dat is opvallend. De gedachte dat je na je dertigste alleen maar bergafwaarts gaat, klopt fysiologisch dus niet automatisch.
Hoge-intensiteitstraining leidt bij oudere wielrenners zelfs tot een grotere toename van de mitochondriale capaciteit dan bij jongere wielrenners meldt JOIN. Dat voordeel van 69 procent tegenover 49 procent bij jonge mensen maakt ouder worden in het wielrennen niet alleen maar een verhaal van de eeuwige afdaling
Daar komt iets bij dat moeilijk te meten is maar een echte rol speelt: ervaring. Waarschijnlijk hebben meer ervaren wielrenners betere copingstrategieën bij het rijden op hoge intensiteit, waardoor de inspanning als minder zwaar wordt ervaren. Pijn lezen, tempo verdelen, koersinzicht. Dat zijn geen verzinsels. Het zijn vaardigheden die jaren kosten.
Wat er eigenlijk misgaat
De wortel van het probleem is niet de achteruitgang zelf. Die is onvermijdelijk en eigenlijk ook niet zo dramatisch als mensen vrezen. Het probleem is dat wielrenners de verkeerde lat gebruiken. Wie zich op zijn vijftigste afmeet aan zijn eigen prestaties van twintig jaar geleden, verliest nagenoeg altijd. Wie zich spiegelt aan het profpeloton, verliest nog sneller. De sport heeft weinig taal ontwikkeld voor wat het betekent om goed te fietsen op een leeftijd die twintig jaar geleden als oud werd beschouwd.
Bijna geen enkele amateur heeft zijn volledige potentieel als atleet ooit bereikt, wat betekent dat er ruimte is om te verbeteren, ongeacht de leeftijd. Dat is een heel ander verhaal dan het verhaal van verval.
Verbeteren hoeft dan ook niet meer te betekenen wat het op je twintigste betekende. Sneller worden op een specifiek parcours. Een lange rit voltooien die eerder niet lukte. Fietsen zonder blessures. Plezier halen uit iets waar je vroeger alleen maar prestatiedruk van kreeg.
>>> Lees ook: Moet je een bikefitting aanpassen als je ouder wordt?
Het is geen falen. Het is een andere wedstrijd
Wielrenners van vijftig die zich gedragen alsof ze nog prof kunnen worden, zijn niet per se naïef. Ze zoeken iets wat de sport hun vroeger gaf, iets wat de sport hen misschien nooit heeft geleerd op een andere manier te zoeken. Een gevoel van iets kunnen. Van richting. Van erbij horen.
Dat gevoel is logisch en te begrijpen. Maar de methode klopt niet. Zolang de lat dezelfde blijft als op je tweeëntwintigste, is ouder worden inderdaad een vorm van falen. Zodra je de lat verlegt, niet verlaagt maar verlegt, wordt het iets anders. Een sport die je een leven lang kunt spelen. En die je met de jaren beter leert kennen.
Dat is geen troostprijs. Dat is de gele trui.












