Te hard vertrekken: waarom we het allemaal doen
Gijs Ferkranus

Een typische weekenddag. Je longen vullen zich met frisse lucht en je benen voelen bijzonder goed. Je bent helemaal klaar om samen met je vrienden gebroederlijk op pad te gaan. Maar op de een of andere manier, zonder enige afspraken, wordt het tempo meteen de hoogte ingejaagd. Hoe komt dat en wat kost het je?
In de eerste prille hectometers wordt er nog gelachen. Het gaat over koetjes en kalfjes, ditjes en datjes en de meest recente nieuwsberichten. Voor je het weet rolt de groep echter op gang en neemt de snelheid met rasse schreden toe. Niemand heeft afgesproken om stevig te starten, maar niemand wil tegelijkertijd degene zijn die temporiseert. Het is een groepsfenomeen dat iedereen (her)kent. Voor je het weet ga je mee in deze flow. Het lijkt en voelt onschuldig, zelfs logisch en allesbehalve extreem. De adrenaline doet zijn werk, maar ongemerkt vraag je al meer van je lichaam dan verstandig is. Voor je het weet rijd je nét boven je comfortabele duurtempo. Je aerobe systeem is nog niet volledig op gang, je hartslag klimt sneller dan je beseft en je verbrandt meer koolhydraten dan je eigenlijk zou willen in deze fase van de duurrit.
Lactaatproblematiek als gevolg van intense start
De gevolgen ervan ondervind je pas later, wanneer de kilometers écht gaan tellen. Het is pas dan dat je je afvraagt waarom het zwaarder voelt dan verwacht. ''Bij lange ritten is te hard starten een stille moraalbreker. Niet alleen mentaal. Vooral fysiologisch kan het je duur komen te staan'', zo omschrijft onze redacteur Jelle Lugten, die een soortgelijk iets meermaals om zich heen zag gebeuren (zelfs op Hawaii!), het fenomeen.
Het heeft namelijk allemaal te maken met lactaten. In die korte, harde inspanning stapelen lactaten zich op en ontstaat er al lichte spierschade. Ondanks dat lactaten op zichzelf geen vijand zijn, is het wel een teken dat je energiesysteem onder druk staat. Bij hoge intensiteit blijft er meer lactaat in het bloed circuleren. Daaraan kleven ook andere afvalstoffen. Voor korte inspanningen is dat funest, maar ook in een lange rit betaal je de rekening. Je verliest efficiëntie, je spieren voelen zwaarder en je vermogen om een strak tempo vast te houden daalt. ''Dat is geen kwestie van karakter. Dat is biologie.''
Verschillende typische groepsritaspecten versterken het lactaatprobleem. Want binnen het eerste uur duiken er al verscheidene plaatsnaamborden op. En zoals u kunt raden: dat betekent bordjessprinten! Er wordt niets aangekondigd, maar er schuiven een paar maten subtiel naar voren. Het tempo trekt aan en plots zit je midden in een sprint die nooit officieel is gestart. Je wilt niet lossen op een bordje, dus je gaat toch maar even mee. Even alles geven, dertig seconden diep in het rood, misschien nog wat doortrekken tot na het bord.
Daarna terug in het wiel kruipen en doen alsof het vanzelf ging. Het is speels, het is leuk en het hoort bij recreatief wielrennen. Maar die korte, felle inspanning tikt wel degelijk in op je reserves. Je lichaam schakelt over op anaerobe energie, stapelt vermoeidheid op en hoewel je daarna weer even in het tempo zakt, draag je die inspanning mee in de rest van de rit. Wanneer je een uur later merkt dat je benen minder fris aanvoelen, ligt dat zelden aan toeval. De rekening van die sprint wordt simpelweg later gepresenteerd.
Afzien wordt geromantiseerd: niemand wil toegeven
Het meest verraderlijke is hierbij is een sociaal element. Noemt het groepsdruk, peer pressure. De snelheid ligt nog altijd bovengemiddeld hoog en iedereen vertoeft in die zone waarin praten moeilijk is en je ademhaling net te zwaar is om ontspannen te blijven. Maar niemand zegt er iets van. Immers, niemand wil de eerste zijn om toe te geven dat het zeer doet (afzien wordt geromantiseerd!).
No pain, no gain, hè?
En dus blijft de groep hangen in dat tempo. Kilometer na kilometer en plaats na plaats. Het is precies de intensiteit waarbij vermoeidheid zich ongemerkt opstapelt. Je ontploft niet meteen, maar je tank loopt langzaam leeg. Helemaal aan het einde, wanneer er nog een paar laatste versnellinkjes worden ingezet, blijkt dan dat je minder over hebt dan gedacht. Niet omdat je conditie tekortschiet, maar omdat je al te lang op het randje hebt gereden.
Wat we daarbij vaak onderschatten, is hoe sterk het mentale effect van een te harde start doorwerkt in de rest van de rit. Hard vertrekken beïnvloedt niet alleen je benen, maar ook je hoofd. Wanneer je in het eerste uur al meerdere keren boven je comfortzone rijdt, ontstaat er onbewust stress. Je brein registreert dat de inspanning hoog is en gaat in een soort waakstand. Dat vertaalt zich in gedachten als: dit wordt een lange dag, ik weet niet of ik dit volhoud, wanneer komt de volgende demarrage?
De kern van dit alles is dus dat wielrennen zelden puur fysiek is. Het is sociaal. We spiegelen ons aan anderen, we willen erbij horen, we willen sterk lijken en we halen plezier uit onderlinge competitie. Dat maakt de sport mooi, maar ook ontzettend verraderlijk. We vertrekken te hard omdat het goed voelt en omdat niemand wil achterblijven. We sprinten omdat het spelletje onweerstaanbaar is. We blijven in een te hoog tempo hangen omdat groepsdruk sterker is dan zelfbehoud. Het zijn geen trainingsfouten, het zijn menselijke reflexen.
De gouden, wijze les
Of om met de woorden van onze ervaringsdeskundige Lugten te spreken: ''Te hard starten voelt eventjes goed en ziet er vaak indrukwekkend uit, maar het vreet aan je reserves op een manier die je niet zomaar ongedaan maakt. Je moraal krijgt een knauw, maar het lichaam krijgt een nog grotere. Het herstel van die eerste overshoot komt altijd te laat. De les is saai, maar goud waard. Doseer. Houd je aan je plan, zeker als het makkelijk voelt. Pacing is geen teken van gebrek aan lef. Het is respect voor de fysiologie. Wie dat respect heeft, rijdt aan het eind vaak niet alleen sneller, maar ook met meer plezier. En dat is uiteindelijk waar een lange rit om vraagt.''













