Wanneer wordt messcherp staan extreem ongezond? De grens onder de 5 procent vet
Getty Images

Wie deze week de ploegvoorstelling van de Tour bekeek, zag vele magere en afgetrainde renners. Vingegaard, Pogacar, Evenepoel: alledrie staan ze er messcherp bij. En Remco Evenepoel deed er zelfs een cijfer bij. Bijna vier kilogram lichter dan in het voorjaar, gaf hij zelf prijs. Klinkt als winst. Maar vier kilo is pas een verhaal als je weet waar de weegschaal begon. En precies daar zit het probleem.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
Het nulpunt dat niemand kent
Sven Nys, tijdens deze Tour co-commentator bij de radio, zette in een analyse voor Sporza de vinger op de zere plek. Vier verloren kilo zeggen niets zolang je het vertrekpunt niet kent. Wat was Evenepoels vetpercentage in het voorjaar? En, minstens zo belangrijk: verloor hij vet of verloor hij spier?
Was dat vetpercentage in april nog aan de hoge kant, dan is die vier kilo vooral scherpte. Je vermogen blijft staan, je gewicht daalt, je watt per kilo stijgt. Feestje. Maar zat hij toen al laag, dan wordt het een ander verhaal. Dan haal je die kilo's deels uit spiermassa, en spier bestel je niet à la carte. Je kiest niet waar het lichaam gaat afbreken, en je hele hormoonhuishouding wordt medespeler in het spel.
Belangrijk om eerlijk over te zijn: hoe het écht met Evenepoels lichaamssamenstelling zat, weten we niet. Dat is precies waarom niemand van buitenaf kan roepen dat hij nu vanzelf sneller bergop rijdt. Sterker nog, lichter is lang niet altijd sneller, zoals we eerder uitlegden. Verlies je met die kilo's ook watt, dan sta je lichter aan de start en klim je alsnog geen meter harder.
3,5 kilo vet, en dan de rode zone
Er is wel een grens waar de theorie ophoudt en de biologie begint. Bij goedgetrainde renners spreek je van een laag vetpercentage zodra er minder dan zo'n 3,5 kilogram vet in het lichaam zit. Dat is de gevarenzone. Duik je onder de vijf procent lichaamsvet, dan wordt het volgens Nys ronduit extreem. En het venijn zit hem hierin: renners flirten met die grens. Profs zitten in de Tour soms op vetpercentages van vijf tot zeven procent, een niveau dat voor een gewone sporter niet haalbaar en niet wenselijk is.
Onder die lijn gebeurt er van alles wat je op de weegschaal niet ziet. Je testosteronwaarde zakt, en met testosteron zakt je kracht. Hou je dat lang vol, dan komt de bot in beeld. Osteoporose, botten die dunner en brozer worden, bij een topsporter van in de twintig. Voor een renner de wrangste bijwerking die er is: je maakt jezelf lichter op een manier die je bij de eerstvolgende valpartij duur betaalt. Dat een heel laag vetpercentage niet automatisch gezond is, is geen nieuw inzicht, maar in de vergrootglascultuur van de Tour verdwijnt het snel naar de achtergrond.
Wat de wetenschap ziet als renners te weinig eten
Dit is geen borrelpraat van een oud-renner. De medische term is RED-S, Relative Energy Deficiency in Sport, in 2014 door het IOC geïntroduceerd. Kern van het idee: als je structureel minder energie binnenkrijgt dan je verstookt, zet je lichaam niet-essentiële systemen op waakvlam. Hormonen, botopbouw, immuunsysteem, stemming. Lang gezien als een vrouwenprobleem, maar de nieuwere inzichten laten zien dat juist gewichtsgevoelige mannensporten kwetsbaar zijn. Wegwielrennen wordt in de literatuur met naam genoemd.
En dan wordt het concreet. In een studie onder vijftig competitieve mannelijke wegrenners bleek 28 procent een te lage energiebeschikbaarheid te hebben. Nog scherper: bij 44 procent van de renners werd een verlaagde botdichtheid in de onderrug gemeten. Bijna de helft. Extra wrang omdat wielrennen een niet-belastende sport is, je botten krijgen op de fiets nauwelijks prikkels om sterk te blijven, dus een tekort telt hier dubbel aan. De renners met de laagste energiebeschikbaarheid hadden meetbaar lagere testosteron- en botwaarden dan hun beter gevoede collega's.
Een maand kan. Jaren niet.
Betekent dit dat elke vermageringskuur richting een grote ronde een medisch drama is? Nee. En daar zit de nuance die het genuanceerd houdt. Zoveel gewicht kwijtraken is niet gezond, maar een korte periode kan een getraind lichaam hebben. Het gevaar zit in de duur. Wie jarenlang op het scherpst van de snede leeft, stapelt de schade op. Voor de gewone fietser die wil afvallen ligt de les dan ook een straatje verderop: een bescheiden, vol te houden calorietekort doet op de lange termijn meer dan een crashdieet richting één piekmoment.
Nys wees daarbij naar Pauline Ferrand-Prévot, vorig jaar winnares van de Tour de France bij de vrouwen. Haar lage gewicht was toen een gespreksonderwerp. Maar na de Tour kwam ze zichtbaar weer aan. Een heel korte periode extreem vermageren en daarna herstellen, dat is iets anders dan twaalf maanden per jaar op de rand balanceren.
© Getty ImagesZo bekeken is die vier kilo van Evenepoel ook geen kwestie van een paar weken crashdiëten. Zulk gewicht zet je in het voorjaar in gang en verlies je met een paar honderd gram per keer, stelselmatig, onder begeleiding van diëtisten, coaches en apps die je inname op je arbeid afstemmen.
Terug naar de vraag
Wanneer wordt messcherp staan dus extreem ongezond? Niet bij het cijfer op de weegschaal, maar op het moment dat je onder de drie tot vijf procent vet duikt én daar blijft hangen. Kortstondig richting een piek is beheersbaar. Structureel is het een recept voor kelderende testosteron, verdampende kracht en brozer wordende botten.
De echte kunst van een klassementsrenner is niet zo licht mogelijk staan. Het is zo licht mogelijk staan zónder je motor te slopen. Evenepoel zegt dat hem dat gelukt is, zonder krachtsverlies. Of dat klopt, gaan de bergen de komende weken uitwijzen. De weegschaal heeft zijn deel al gezegd.












