Wat maakt een klim een loper?
Axel Brunst

“Het is een echte loper.” Je hoort de term regelmatig tijdens de Tour de France, in wielerpodcasts of wanneer renners een beklimming bespreken. Maar wat is een loper eigenlijk? Een officiële definitie bestaat niet. Voor de ene renner is de Tourmalet een heerlijke klim waarop je gemakkelijk in je ritme komt, terwijl een ander er volledig op stukloopt. Juist daarom zegt de term vaak meer over de renner dan over de klim zelf.
Michael Boogerd vertelde daar onlangs een mooi verhaal over tijdens een Touretappe. Tijdens de Ronde van Zwitserland omschreef zijn toenmalige ploegleider Joop Zoetemelk een beklimming als een “platte klim”. Volgens Zoetemelk stelde de klim niet zoveel voor en kon je er vrij gemakkelijk omhoog rijden. Boogerd dacht daar heel anders over. Hij vond het juist een verschrikkelijke beklimming waar hij enorm tegenop zag. Wat voor Zoetemelk een vriendelijke loper was, voelde voor Boogerd als een loodzware klim.
Dat verschil laat precies zien waarom het begrip zo persoonlijk is. Op papier bestaat een klim uit een lengte, een gemiddeld stijgingspercentage en een aantal hoogtemeters. Een loper gaat vooral over het gevoel dat je op die klim hebt. Meestal wordt ermee bedoeld dat je een gelijkmatig tempo kunt rijden, zonder voortdurend te moeten schakelen, uit het zadel te komen of reageren op plotselinge steile stroken. Je vindt een cadans, kiest een vermogen en probeert dat zo lang mogelijk vast te houden.
Een loper hoeft helemaal niet makkelijk te zijn
Veel recreatieve wielrenners denken bij een loper aan een eenvoudige klim met lage percentages. Dat is niet helemaal juist. Een loper kan juist ontzettend zwaar zijn. De term zegt vooral iets over het verloop van de beklimming en niet over de totale moeilijkheid. Een klim van twintig kilometer aan gemiddeld zeven procent kan behoorlijk goed lopen, maar blijft een enorme inspanning.
De Col du Tourmalet is daar een goed voorbeeld van. Afhankelijk van de beklommen zijde is de klim ongeveer zeventien tot negentien kilometer lang, met een gemiddeld stijgingspercentage van ruim zeven procent. Dat klinkt niet bepaald gemakkelijk. Toch wordt de Tourmalet regelmatig een loper genoemd, omdat het stijgingspercentage over grote delen redelijk constant blijft. Er zijn weinig extreme uitschieters en je kunt lange tijd in hetzelfde ritme blijven rijden.
Voor een profrenner die op zo’n klim een hoog maar constant vermogen kan leveren, voelt dat vaak prettiger dan een kortere beklimming met telkens wisselende percentages. Dat betekent niet dat de Tourmalet licht is. Integendeel. Juist doordat de klim zo lang is, wordt iedere kleine fout in tempo of voeding uiteindelijk afgestraft. Het is dus mogelijk dat een klim goed loopt en tegelijkertijd ontzettend zwaar is.
Lees ook: Zo vlieg je een klim op, 7 tips
Waarom een gelijkmatig stijgingspercentage prettig voelt
Op een echte loper hoef je relatief weinig van tempo te wisselen. Je kunt een verzet kiezen dat past bij het stijgingspercentage en vervolgens proberen je cadans constant te houden. Daardoor ontstaat een voorspelbare inspanning. Je benen weten als het ware wat er van ze wordt gevraagd.
Op een grillige klim is dat heel anders. Daar kan een stuk van vijf procent plotseling overgaan in een strook van twaalf procent. Je moet schakelen, uit het zadel komen en meer kracht leveren om je snelheid vast te houden. Daarna wordt het misschien weer vlakker en moet je opnieuw versnellen. Die voortdurende veranderingen kosten extra energie en maken het lastiger om een ritme te vinden.
Dat is ook waarom een klim met een lager gemiddelde soms zwaarder kan aanvoelen dan een steilere loper. Een beklimming van zes procent gemiddeld kan bijvoorbeeld verschillende stukken van tien tot twaalf procent bevatten, afgewisseld met bijna vlakke passages. Op papier lijkt de klim relatief eenvoudig, maar in de praktijk moet je voortdurend versnellen en herstellen. Een gelijkmatige klim van zeven procent kan daardoor soms prettiger aanvoelen.
Lees ook: Hill Climb Calculator: Bereken je klimtijd en wattage voor granfondo’s
Voor iedere renner betekent een loper iets anders
Het type renner bepaalt voor een groot deel welke klim goed loopt. Een lichte klimmer voelt zich meestal thuis op lange beklimmingen waarop hij een hoog vermogen per kilogram kan volhouden. Een zwaardere renner of puncher kan juist meer moeite hebben met zulke lange inspanningen, maar uitblinken op kortere en steilere hellingen.
Ook de manier waarop iemand graag klimt speelt mee. Sommige renners houden van een hoge cadans en een gelijkmatige inspanning. Zij zullen een lange Alpen- of Pyreneeëncol sneller als een loper omschrijven. Andere renners rijden liever explosief, versnellen graag uit bochten en voelen zich beter op korte hellingen met wisselende percentages.
Daarnaast speelt ervaring een grote rol. Een renner die regelmatig in de bergen traint, is gewend om twintig kilometer lang een vast tempo te rijden. Voor iemand die vooral in Nederland fietst, kan dezelfde klim eindeloos aanvoelen. Zelfs wanneer het stijgingspercentage nergens extreem wordt, kan de duur van de inspanning ervoor zorgen dat de klim allesbehalve soepel voelt.
Ook vorm en vermoeidheid veranderen het gevoel
Dezelfde klim kan op verschillende dagen totaal anders aanvoelen. Met frisse benen kan een beklimming heerlijk lopen en voelt het alsof je moeiteloos in je ritme komt. Aan het einde van een zware rit kan diezelfde klim ineens veranderen in een marteling.
Ook je tempo bepaalt of een klim als een loper voelt. Rijd je rustig onder je omslagpunt, dan kun je waarschijnlijk vrij comfortabel blijven draaien. Probeer je een sterke groep te volgen of rijd je boven je niveau, dan voelt zelfs een gelijkmatige klim al snel onregelmatig en zwaar. Je bent dan voortdurend bezig om gaten dicht te rijden, opnieuw aan te zetten en te herstellen.
Wind kan het gevoel eveneens veranderen. Een constante tegenwind maakt een open klim zwaarder, maar blijft vaak nog redelijk voorspelbaar. Windvlagen kunnen je ritme daarentegen volledig verstoren. Ook slecht asfalt, scherpe haarspeldbochten en stukken waarop je snelheid steeds wegvalt, kunnen ervoor zorgen dat een klim minder goed loopt dan het profiel doet vermoeden.
Welke kenmerken heeft een typische loper?
Hoewel er geen vaste definitie bestaat, hebben klimmen die als loper worden omschreven meestal een aantal overeenkomsten. Het stijgingspercentage ligt vaak ergens tussen vijf en acht procent en blijft over langere tijd redelijk stabiel. Er zijn weinig lange stukken boven de tien procent en je hoeft niet voortdurend van ritme te veranderen.
Ook brede wegen en lange rechte stukken kunnen bijdragen aan het gevoel van een loper. Je kunt vooruitkijken, je tempo bepalen en hoeft minder vaak hard uit bochten te versnellen. Haarspeldbochten zijn niet automatisch een probleem, zolang het stijgingspercentage in en na de bochten maar niet te sterk verandert.
Een loper is vooral een persoonlijke ervaring
Het verhaal van Michael Boogerd en Joop Zoetemelk vat het begrip eigenlijk perfect samen. Zoetemelk keek naar een klim vanuit zijn eigen ervaring als ronderenner en vond hem relatief vlak en gelijkmatig. Boogerd beleefde diezelfde beklimming compleet anders en zag er juist enorm tegenop.
Daarom bestaat er geen universele grens waarbij een klim ineens een loper wordt. Je kunt niet simpelweg zeggen dat iedere klim van zes procent een loper is en iedere klim van negen procent niet. Het gaat om de combinatie van lengte, stijgingspercentage, regelmaat, wegdek, weersomstandigheden en vooral het niveau en de voorkeuren van de renner.












