Maarten Tjallingii: 'Wie Parijs-Roubaix wil winnen, moet de kasseien kunnen poetsen'
PRO SHOTS / Photopress

Parijs-Roubaix is misschien wel de meest mythische koers op de wielerkalender. Kasseien, stof, modder en pure uitputting bepalen al meer dan een eeuw de strijd in Noord-Frankrijk. Slechts een handvol renners weet zich echt te onderscheiden in deze loodzware klassieker. Eén van hen is Maarten Tjallingii, die in 2011 met een indrukwekkende koers derde werd in de Hel van het Noorden. In dit interview blikt hij terug op die dag, vertelt hij waarom Parijs-Roubaix zo bijzonder is en legt hij uit wat er nodig is om succesvol te zijn op de kasseien.
>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.
Waarom is Parijs-Roubaix een van jouw favoriete koersen?
“Parijs-Roubaix is natuurlijk een koers met meer dan honderd jaar geschiedenis, en dat voel je. Je rijdt door een mythisch gebied waar het vaak grauw en grijs is, met een sfeer die echt op je inwerkt. Zeker in de finale, wanneer de zon zakt en je benen al zwaar zijn, krijgt die omgeving nog meer impact. Het is een koers van ups en downs, lang en zwaar, maar ook uniek. Voor mij was het bovendien een wedstrijd waarin mijn kwaliteiten perfect tot hun recht kwamen. Ik kon daar simpelweg meer dan veel anderen, en dat maakt het natuurlijk extra bijzonder.”
'Ik weet nog dat ik na afloop achter de coulissen stond te huilen van geluk.'
De sportvraag der sportvragen: hoe voelde je je na jouw derde plek in 2011?
“Euforisch. Dat was echt een droom die uitkwam. Als wielrenner droom je ervan om ooit op het podium te staan in een monument, en zeker in een klassieker die je zo goed ligt. Dat was fenomenaal! Ik weet nog dat ik na afloop achter de coulissen stond te huilen van geluk. Het was een bevestiging van alle inspanningen die ik in mijn carrière had gestoken. Het was fantastisch.”
Draai je de koers nog vaak in je hoofd af? Hoe verliep de koers voor jou?
“Ja, die koers heb ik zeker nog vaak teruggehaald. Ik zat meteen mee in de kopgroep van een man of vijftien, en dat was ideaal. Daardoor hoefde ik minder energie te verspillen en kon ik mijn eigen koers rijden. Dat was precies zoals je het hoopt, maar dat lukt natuurlijk niet altijd.”
'Ik heb in mijn carrière elf keer geprobeerd om in de kopgroep te komen en het lukte maar één keer. En juist die ene keer werd ik derde.'
Hoe moeilijk is het om bij Parijs-Roubaix in de kopgroep te zitten?
“Dat is ontzettend moeilijk. Ook omdat iedereen weet dat de kopgroep in Parijs-Roubaix serieus kans maakt. Ik heb in mijn carrière elf keer geprobeerd om in de kopgroep te komen en het lukte maar één keer. En juist die ene keer werd ik derde. Dat zegt genoeg. Je hebt goede benen nodig, maar ook timing en geluk.”
Is de kopgroep bij deze koers belangrijker dan bij andere koersen?
“Ja, absoluut. De kans van slagen is gewoon groot. Als je voorop zit, heb je een rustigere aanloop naar de kasseien en kun je eten en drinken wanneer je wilt. In het peloton is het constant oorlog richting elke kasseistrook. Positionering kost daar enorm veel energie.”
'Tactiek is belangrijk, maar niet allesbepalend. Je moet constant de juiste keuzes maken.'
Hoe belangrijk is tactiek in Parijs-Roubaix?
“Tactiek is belangrijk, maar niet allesbepalend. Je moet constant de juiste keuzes maken: goed eten, drinken, herstellen en zorgen dat je bij de juiste groep zit. Tegelijkertijd speelt geluk ook een grote rol. Geen pech hebben, geen valpartijen, en op de juiste momenten van voren zitten.”
Hoe rijd je een goede Parijs-Roubaix?
“Vooral door constant van voren te blijven rijden. Goed positioneren voor de kasseistroken gas geven op de kasseien en tussendoor zoveel mogelijk herstellen. In 2011 werd er voortdurend aangevallen en ontstonden er steeds nieuwe groepjes. Ik zorgde ervoor dat ik steeds bij de voorste groepen zat. Je moet ook rustig blijven en altijd door blijven gaan. Het kan altijd vooraan stilvallen.”
Is dit de koers die iedereen aan de start kan winnen?
“Misschien niet iedereen, maar als je aan de start staat, heb je in principe de kwaliteiten. In Roubaix speelt geluk een grote rol. In 2011 won Johan Vansummeren uit de kopgroep. Dat laat zien dat het mogelijk is.”
'Ineens zagen mensen dat ik meer kon dan alleen kopwerk doen voor Freire of Menchov.'
Dat moment op het podium, was dat het mooiste moment uit jouw carrière?
“Zeker. Ineens zagen mensen dat ik meer kon dan alleen kopwerk doen voor Freire of Menchov. Dit is gewoon iemand die zelf ook gewoon de resultaten kan halen. Ik reed die dag eigenlijk voor Lars Boom, maar toen duidelijk werd dat hij niet meer terugkwam, kreeg ik via de oortjes te horen dat ik voor mezelf moest rijden. Dat was wel heel gaaf om om dat te voelen dat je dan ineens de vooruitgeschoven pion bent die het ook moet gaan waarmaken voor de ploeg.”
Had je de koers kunnen winnen? Wat had je achteraf anders kunnen doen?
“Op de Carrefour de l’Arbre reed ik een gat te snel dicht naar Johan van Summer die op kop lag. Van Summeren reed op dat moment uit de wind in het zog van een motor. Doordat ik eraan kwam, accelereerde die motor en nam Van Summeren mee. Toen kon daar net niet bij komen.Daardoor verspeelde ik te veel energie. Achteraf had ik dat rustiger moeten doen. Dat was misschien het moment waarop ik de overwinning heb laten liggen.”
'Het zijn gewoon maar douches, maar het is bijzonder om daar te staan en al die naamplaatjes van de winnaars, helden te zien.'
En? Hoe waren de douches?
“De douches zijn natuurlijk iconisch. Het zijn gewoon maar douches, maar het is bijzonder om daar te staan en al die naamplaatjes van de winnaars, helden te zien. Ook al heb ik zelf niet zo'n plaatje, de historie maakt het speciaal.”
Wat maakt voor jou een ultieme Parijs-Roubaix-renner?
“Je moet niet te licht zijn, maar ook niet te zwaar. Rond de 68 tot 72 kilo met een hoog absoluut vermogen. Je moet over de kasseien kunnen ‘dokkeren’, zoals een surfer over de kleine golven glijdt. Zo moet een renner de kasseien als het ware 'poetsen'. Daarnaast moet je dynamisch zijn, goed kunnen sturen en ook sterk zijn in het tijdrijden. Renners zoals Mathieu van der Poel en Wout van Aert zijn daarvoor ideaal. Pogacar zal het lastiger hebben, omdat de wattages die hij trapt zich vooral uitbetalen als het bergop gaat. In Roubaix gaat het minder om watt per kilo en meer om pure kracht.”












