Zijn fietshelmen veilig genoeg? Fatale crash Tarling roept discussie op

Praat mee!
Online Editor

Brian Barnhart

Brian Barnhart

Profrenners rijden met materiaal dat tot op de millimeter en gram wordt geoptimaliseerd. Frames worden stijver en aerodynamischer, kleding wordt in windtunnels getest en zelfs sokken kunnen onderwerp van discussie zijn. Maar hoe zit het met misschien wel het belangrijkste onderdeel dat een renner draagt: de helm? Na het tragische overlijden van de 19-jarige Finlay Tarling tijdens de Volta a Portugal is die discussie opnieuw opgelaaid. Rennersvakbond CPA vraagt zich openlijk af of de huidige veiligheidsnormen nog wel passen bij een peloton dat regelmatig met 50, 60 of zelfs meer dan 80 km/u over de weg raast.

>>> Wil je op de hoogte blijven van het belangrijkste fietsnieuws? Schrijf je dan hier in voor onze wekelijkse nieuwsbrief met maandagochtend om 09.00 de top 5 artikelen.

Een tragisch ongeval zet de discussie op scherp

Tarling kwam op 14 augustus om het leven nadat hij tijdens de achtste etappe van de Volta a Portugal in botsing kwam met een voertuig dat geen onderdeel van de wedstrijd was en op het parcours terecht was gekomen. De precieze omstandigheden worden onderzocht. Het is belangrijk om daarbij meteen een onderscheid te maken: er is geen bewijs dat een andere of betere helm de afloop van dit specifieke ongeval had kunnen veranderen. De discussie over helmen die daarna ontstond gaat veel breder over de bescherming van profrenners bij crashes op hoge snelheid.

Adam Hansen, voorzitter van rennersvakbond CPA, pleit inmiddels voor een herziening van de eisen. Volgens Hansen worden professionele renners beschermd door helmen die uiteindelijk moeten voldoen aan veiligheidsnormen die ook gelden voor gewone recreatieve fietsers. Hij vindt dat niet meer passen bij de snelheden en risico's van het moderne profwielrennen. Hansen zegt het onderwerp overigens al langer bij de UCI en SafeR te hebben aangekaart.

Een goedgekeurde helm is niet automatisch de veiligste helm

In Europa moeten fietshelmen die op de markt worden gebracht voldoen aan veiligheidseisen zoals de EN 1078-norm. Daarbij wordt onder meer gekeken naar schokabsorptie, het bevestigingssysteem en de dekking van de helm. Een helm die aan de norm voldoet heeft dus een minimale serie veiligheidstests doorstaan.

Het belangrijke woord is alleen 'minimaal'. Een keurmerk betekent niet dat iedere goedgekeurde helm exact evenveel bescherming biedt. Het betekent ook niet dat iedere mogelijke valpartij wordt nagebootst. Een profrenner die in een afdaling met zeer hoge snelheid crasht, krijgt mogelijk te maken met een heel andere impact dan de situaties waarop een standaard certificering zich richt.

Daar zit precies de kritiek van Hansen. Hij wijst erop dat de Europese norm al decennia bestaat en dat het profwielrennen ondertussen sneller is geworden. De huidige generatie renners rijdt tijdens wedstrijden regelmatig langdurig boven de 50 km/u en in afdalingen kunnen de snelheden nog veel hoger liggen.

Een crash met 70 km/u betekent niet automatisch een impact van 70 km/u

Toch is het te simpel om te zeggen dat een helm die bij een bepaalde testsnelheid wordt beoordeeld waardeloos is zodra een wielrenner harder rijdt. Bij een val met 70 km/u komt je hoofd namelijk meestal niet frontaal met 70 km/u tegen een stilstaande muur terecht.

Een groot deel van de snelheid is horizontaal. Bij een val op het asfalt raakt het hoofd vaak onder een hoek de grond en kan het vervolgens verder bewegen of glijden. Hoe zwaar de impact op de schedel en hersenen daadwerkelijk is, hangt onder meer af van de richting van de val, de hoek waaronder het hoofd de grond raakt, de ondergrond en of je daarvoor bijvoorbeeld al met je schouder de grond hebt geraakt.

Dat maakt het testen van fietshelmen ingewikkeld. Alleen een verticale valtest vertelt niet het volledige verhaal van een echte wielercrash.

Juist die schuine impact is interessant

Veel echte valpartijen zijn geen perfect rechte botsingen. Het hoofd raakt de weg onder een hoek. Daardoor ontstaat naast een lineaire versnelling ook rotatie van het hoofd. Onderzoekers kijken daarom al jaren naar zogenoemde oblique impacts, oftewel schuine impacts.

Een wetenschappelijke studie naar schuine impacts bij fietshelmen liet al zien dat het mogelijk en relevant is om naast lineaire ook rotatieversnellingen te meten. Een veel recentere wetenschappelijke review van testmethoden concludeert eveneens dat bestaande helmstandaarden niet alle rotatiebewegingen uit realistische schuine crashes meenemen en dat er behoefte is aan betere methoden om fietshelmen onder realistischer omstandigheden te beoordelen.

Dat is belangrijk omdat bij hersenletsel niet alleen de rechtlijnige klap relevant is. Ook snelle rotatie van het hoofd kan een rol spelen.

Daarom kijkt Virginia Tech verder dan alleen het keurmerk

Een interessante aanvulling op de verplichte veiligheidsnormen is het onafhankelijke Helmet Lab van Virginia Tech. Daar worden fietshelmen getest met het STAR-systeem. In de editie van 2026 staan inmiddels meer dan 300 fietshelmen in de database. De onderzoekers beoordelen hoe goed een helm zowel lineaire versnelling als rotatiesnelheid vermindert bij verschillende impacts die representatief moeten zijn voor echte fietsongelukken.

Het resultaat is een score van één tot vijf sterren. Daardoor zie je iets wat je aan het Europese keurmerk alleen niet kunt zien: twee helmen kunnen allebei legaal verkocht worden en toch verschillend presteren in aanvullende onafhankelijke tests.

Voor consumenten is dat belangrijke informatie. Een prijskaartje van 300 euro betekent namelijk niet automatisch dat een helm beter beschermt dan een model van 100 euro. Bij dure racehelmen betaal je ook voor gewicht, aerodynamica, ventilatie, pasvorm en afwerking.

En hoe zit het met MIPS?

Daar komt technologie als MIPS om de hoek kijken. MIPS is ontwikkeld om bij bepaalde schuine impacts enige beweging tussen helm en hoofd mogelijk te maken, met als doel de rotatiebeweging die aan het hoofd wordt doorgegeven te verminderen. Inmiddels bestaan er daarnaast allerlei andere oplossingen waarbij fabrikanten hetzelfde probleem op een andere manier proberen aan te pakken.

Zo'n extra systeem is echter niet hetzelfde als een garantie dat een helm je bij iedere crash beter beschermt. Het uiteindelijke ontwerp van de hele helm blijft bepalend. Daarom zijn onafhankelijke tests interessant: die beoordelen het eindproduct in plaats van alleen de aanwezigheid van een bepaalde technologie.

Aero, gewicht én veiligheid moeten samenkomen

Voor profrenners ontstaat vervolgens een interessante spanning. Een helm moet beschermen, maar tegelijkertijd willen fabrikanten hem licht, comfortabel, goed geventileerd en vooral aerodynamisch maken. Een prof draagt een helm soms zes uur lang en bij temperaturen boven de 30 graden. Een extreem zwaar en volledig gesloten veiligheidsontwerp is dus niet automatisch praktisch.

De afgelopen jaren zijn helmen bovendien steeds aerodynamischer geworden. Grote ventilatieopeningen maakten bij sommige modellen plaats voor meer gesloten vormen. De UCI heeft daar inmiddels op gereageerd. Sinds 1 januari 2026 gelden voor helmen in wedstrijden met een massastart aanvullende specificaties, waaronder minimale eisen aan ventilatie. Helmen of accessoires die de oren bedekken en geïntegreerde of afneembare vizieren zijn daarbij niet toegestaan.

Opvallend genoeg werkt de UCI ondertussen ook aan een uitgebreider certificatieprotocol voor helmen. De internationale wielerunie heeft aangegeven dat zo'n protocol op zijn vroegst op 1 januari 2027 in werking treedt. Dat traject liep dus al voordat de huidige discussie na het overlijden van Tarling ontstond.

Kun je een helm maken die beschermt tegen iedere crash?

Waarschijnlijk niet. Een helm kan maar een beperkte hoeveelheid energie absorberen en moet tegelijkertijd klein en draagbaar blijven. Bij extreem zware botsingen zijn de krachten simpelweg zo groot dat geen realistische fietshelm volledige bescherming kan garanderen.

Dat is een belangrijke nuance in deze discussie. Een betere helm kan het risico op hoofdletsel bij bepaalde crashes verminderen, maar maakt wielrennen nooit volledig veilig. Voorkomen dat een renner überhaupt met hoge snelheid tegen een obstakel of voertuig botst blijft minstens zo belangrijk.

Daarom mag de discussie na het overlijden van Tarling niet uitsluitend over helmen gaan. Zijn ongeval roept ook vragen op over parcoursbeveiliging en hoe een voertuig dat niet bij de wedstrijd hoorde op het parcours terecht kon komen. Een sterkere helm is geen vervanging voor een veilige wedstrijdorganisatie.

Profhelm versus jouw helm

Voor recreatieve wielrenners is de discussie minstens zo interessant. De helm van een Tourrenner is namelijk niet automatisch veiliger omdat hij honderden euro's kost. Een prof kiest zijn helm bovendien niet zelf uit een ranglijst van de veiligste modellen. Hij rijdt met het materiaal van de sponsor en binnen dat assortiment kan vervolgens gekozen worden tussen bijvoorbeeld een aerohelm en een beter geventileerd model.

Voor je eigen aankoop is het daarom verstandig om verder te kijken dan gewicht en aerodynamica. Controleer of de helm aan de vereiste norm voldoet, zorg vooral dat hij goed past en kijk eventueel naar aanvullende onafhankelijke beoordelingen zoals die van Virginia Tech.

Een helm die verkeerd op je hoofd zit kan zijn werk immers minder goed doen. De voorkant hoort niet hoog boven het voorhoofd te staan en de bandjes moeten voorkomen dat de helm tijdens een impact gemakkelijk verschuift.

Zijn de helmen van profrenners dus veilig genoeg?

Daar bestaat op dit moment geen simpel ja of nee op. De helmen die profrenners gebruiken moeten aan geldende veiligheidsnormen voldoen en moderne tophelmen bevatten vaak technologie die veel verder gaat dan het absolute minimum. Tegelijkertijd is er legitieme kritiek op de vraag of bestaande standaardtests voldoende aansluiten bij de specifieke omstandigheden van professioneel wielrennen, met hoge snelheden en complexe schuine impacts. Wetenschappelijk onderzoek naar helmtests wijst eveneens op beperkingen van bestaande testmethoden.

De wielersport lijkt zelf ook te erkennen dat er ruimte is voor verbetering. De UCI werkt al aan nieuwe helmspecificaties en een toekomstig certificatieprotocol, terwijl CPA-voorzitter Adam Hansen na de dood van Tarling oproept om sneller en verder te gaan.

Een helm zal nooit iedere zware crash kunnen opvangen. Maar als betere testmethoden en strengere eisen de kans op ernstig hoofdletsel zelfs maar verder kunnen verkleinen, is het logisch dat de discussie niet alleen gaat over hoeveel watt een nieuwe helm bespaart. Minstens zo belangrijk is hoeveel bescherming hij biedt wanneer het daadwerkelijk misgaat.